afkortingen bronnen verantwoording sitemap mail





Afkortingen, begrippen, termen en schalen

Gehanteerde schalen:
Weer alarm
Richter (aardbevingen)
Mercalli (aardbevings-intensiteiten schaal)
Fujita , Enhanced Fujita Scale (tornado schade)
Beaufort (windkracht),
NAP (waterhoogte)





112-centrale Centrale waar de 112-gesprekken binnenkomen (niet per definitie op dezelfde lokatie als de meldkamers van de hulpdiensten). Bij de KLPD-meldkamer in Driebergen komen alle 112-gesprekken van mobiele telefoons binnen.
AB AdemBescherming (brandweer):
Voertuig of haakarmbak vanwaaruit adembeschermingsapparatuur op lokatie kan worden gevuld, vervangen en schoongemaakt.
ABC Atomair, Bacteriologisch, Chemisch: Oude aanduiding voor gevaarlijke stoffen. Zie ook NBC.
AC AlarmCentrale, de meldkamer van de brandweer
Actiecentrum Commandopost van een hulpdienst of organisatie van waaruit de eigen inzet wordt geregeld
AGS Adviseur Gevaarlijke Stoffen
AMBU-team Ambulance met verpleegkundige en chauffeur
AS Autospuit (brandweer):
Blusvoertuig, meestal ook uitgerust met hydraulisch redgereedschap en bemanning van 5 tot 7 brandweerlieden en bevelvoerder. De pomp is achterin geplaatst en wordt meestal aangedreven door de automotor. De pomp kan dan alleen tijdens stilstand gebruikt worden.
Een autospuit heeft eigenlijk zelf geen watertank, maar alleen een pomp. Een AS met een watertank met 1500 tot 2000 liter water heet officieël een TankAutoSpuit (TAS), maar die benamingen worden door elkaar heen gebruikt.
Een standaard autospuit heeft een gecombineerde lagedruk- (15 bar, 2500/3000 liter p/m) en hogedruk- (40 bar, 250/300 liter p/m) pomp.
Bosbrand-blusvoertuigen en vliegtuig-crashtenders beschikken over een aparte pompmotor, zodat rijdend kan worden gespoten. Crashtenders hebben ook een schuimtank aan boord.
Er bestaan speciale "groot vermogen" autospuiten en schuimblusvoertuigen, die alleen een zware lagedrukpomp hebben, vooral in gebruik bij industrieële bedrijfsbrandweren.
AL Autoladder (brandweer):
Een autoladder heeft een hydraulisch uitschuifbare en draaibare ladder met een lengte van 25 tot 30 meter. Aan het eind van de ladder zit meestal een uitklapbaar werkplateau, waarop eventueel een brancard of een waterkanon bevestigd kan worden.
Berger / Bergingsvoertuig Bedrijf en voertuig dat (vracht-)auto's wegsleept na pech of ongeval
Bergingsteam Hulpverleners die in teamverband slachtoffers uit het rampgebied of wrak halen,
bijvoorbeeld met duikers of honden
Binnenring Het rampterrein en het effectgebied: Het gebied waarbinnen de rampenbestrijdingseenheden opereren onder bevel van het Commando Rampterrein.
BLEVE Boiling Liqour Expanding Vapour Explosion: Wanneer vloeistof in een tank gaat koken door verhitting, bijvoorbeeld door brand. Boven het vloeistof oppervlak vormt zich een heet gasmengsel, waardoor de druk in de tank oploopt. Door de verhitting en de druk wordt de tankwand zwak en gaat scheuren. De kokende, vloeibare inhoud van de tank wordt door de druk uit de tank geperst, vliegt daarbij in brand en verspreidt zich al brandend over een groot oppervlak.
Brongebied Mbt Ongvallen met Gevaarlijke Stoffen: Het gebied waar alles zich bevindt wat te maken heeft met de directe ongevalsbestrijding. In het bijzonder ligt daar het betrokken object of voertuig en het 'werkveld' van de brandweer en de andere (hulpverlenings)diensten. Bij rampen is het brongebied dus het rampterrein.
BM BurgeMeester
Buitenring Het rampgebied buiten de binnenring: Het gebied waarbinnen speciale maatregelen van toepassing zijn, onder bevel van het Commando Omgeving Rampterrein.
CBRN-responseteam

Chemische-, Biologische-, Radiologische- of Nucleaire-stoffen responseteam van Defensie dat binnen 2 uur overal in Nederland door de VeiligheidsRegios kan worden ingezet bij incidenten of dreiging met gevaarlijke stoffen.
Het team bestaat uit Advies & Assistentie (A&A) teams en uit Detectie, Identificatie & Monitoring (DIM)-capaciteit, aangevuld met ontsmettingsstraten.

CoRT
Commando RampTerrein
De commandopost voor de rampbestrijding op het rampterrein en in het effectgebied (in de "binnenring").
Oude term, bij een GRIP is alleen sprake van COPI.
CdK Commissaris der Koningin
CoRT
Commando RampTerrein
De commandopost voor de rampbestrijding op het rampterrein en in het effectgebied (in de "binnenring").
Oude term, bij een GRIP is alleen sprake van COPI.
CPA CentraalPost Ambulancevervoer, de meldkamer van de gezondheidsdienst.
Tegenwoordig MeldKamer Ambulancezorg MKA genoemd.
COPI
COmmando
Plaats Incident
Mix van CTPI en CoRT.
Bij de Gecoordineerde Regionale Incidentbestrijdings Procedure (GRIP) is alleen sprake van COPI's.
CTPI
CoordinatieTeam
Plaats Incident
Commandopost voor de bestrijding van grootschalige incidenten.
Oude term, bij een GRIP is alleen sprake van COPI.
CvD Commandant van Dienst
DB - Dead Body, dodelijk slachtoffer
- DienstBus
DVI Disaster Victim Identification: Engelse naam voor Rampen Identificatie Team
Drone (UAR) Unmanned Aerial Vehicle, een onbemande mini-helicopter of -vliegtuigje uitgerust met (infrarood)-camera's die luchtopnames van een incident kan maken op lokaties waar een grote bemande helicopter niet kan komen. Een UAR kan middels een GPS systeem ook langere tijd op een vaste plek blijven hangen.
EDO Ergst Denkbare Overstromingen:
Door RijksWaterStaat bBerekende scenario's voor extreme overstromingen
Effectgebied

Gebied rondom de ramp dat direct getroffen is (of kan worden) door gevaarlijke stoffen, schokgolven, brokstukken, water of hitte ten gevolge van de ramp

Fire Bucket

Fire buckets zijn grote kunststof waterzakken die onder aan een helikopter kunnen worden gehangen ten behoeve van de helicopterblussing van natuurbranden.
Er zijn 2x 5 fire buckets beschikbaar in Nederland, 5 van 9840 liter voor de Chinook, 5 van 2500 liter voor de Cougar.
De blusheli operaties worden aangestuurd door de Koninklijke Luchtmacht in Den Haag en de veiligheidsregio Noord & Oost Gelderland in Apeldoorn.

Gewondennest Plaats in de nabijheid van de ramplokatie (binnen het rampterrein) waar de gewonden worden opgevangen en getrieerd
Gewondenverzamelplaats Ook: VG - Verzamelplaats Gewonden. Plaats buiten het rampterrein waar gewonden worden verzorgd en klaargemaakt voor transport naar een ziekenhuis
GHOR Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen
GMK Gemeenschappelijke MeldKamer
GRIP Gecoordineerde Regionale Incidentbestrijdings Procedure
Standaard aanpak bij grootschalige incidenten en bij rampen
GRS Gemeentelijke RampenStaf
Oude term, bij een GRIP is sprake van BeleidsTeams, i
HB HoofdBureau, in Amsterdam ook bekend als "kamer 14"
HIP Hoofd-Inspecteur (politie)
HOVD Hoofd Officier van Dienst (zie OvD)
HV HulpverleningsVoertuig (brandweer) o.a. voorzien van hydraulisch redgereedschap. Ook als haakarmbak voor grootschalige hulpverleningen.
HW HoogWerker (brandweer) voorzien van een hydraulisch uitschuifbaar en draaibaar werkplateau waarop eventueel een brancard of een waterkanon bevestigd kan worden.
Sommige hoogwerkers kunnen ook naar beneden bewegen, zodat reddingen op lagergelegen terreinen of vanaf een brug op het water mogelijk wordt.
Inzetvak Deel van het rampterrein dat is toegewezen aan 1 rampenbestrijdingseenheid met eigen commando-lijn
KLPD Korps Landelijke PolitieDiensten, vanaf 1 januari 2013 de Landelijke Eenheid van de Nationale Politie geheten
KMar Koninklijke Marechaussee
LMAZ Landelijke Meldkamer AmbulanceZorg
LOCC Landelijk Operationeel CoŲrdinatieCentrum
Lifeliner Roepnaam voor de Trauma-heli (zie ook MUH)
Loodspost Verzamelplaats voor hulpverlenings-eenheden die ter plaatse onbekend zijn, van waaruit aanrijroutes naar het rampterrein worden vrijgehouden
LOTT Landelijke Organisatie TraumaTeams, voorloper van het MMT
LTFO Landelijke Team Forensische Opsporing, waarin het Rampen IdentificatieTeam en de Landelijke Facaliteit Ontmantelen drugslaboratia zijn opgenomen.
Het LTFO bestaat uit specialisten van de verschillende politiekorpsen, het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en de Koninklijke Marechaussee.
Het brandweerkorps Zaanstreek/Waterland levert een ontsmettingsunit voor het LTFO.
MAC Major Airport Crashtender
MCU Mobiele CommunicatieUnit (politie)
ME Mobiele Eenheid
MICU Mobiele Intensive Care Unit, grote ambulance die een complete intensive care unit kan vervoeren
MKA Meldkamer Ambulancezorg ,
vroeger CentraalPost Ambulancevervoer genoemd
MLRT Medisch Leider RampTerrein (GGD)
MMT Mobiel Medisch Team bestaande uit arts, verpleegkundige en chauffeur/piloot
Morgue
Mortuarium
Ruimte voor opvang en identificatie van overleden slachtoffers
Motorkap overleg Eerste overleg tussen de bevelvoerenden van de eerst aangekomen hulpverleningseenheden.
MUH Medische Urgentie Helicopter (de traumaheli)
Nader Bericht De bevelvoerder van de eerst aankomende autospuit geeft in een Nader Bericht de status van de brand cq ongeval door aan de AlarmCentrale. De status geeft aard (Brand, Hulpverlening) en omvang (Klein, Middel, Groot, Zeer Groot) van het incident weer.
NBC Nucleair, Bacteriologisch, Chemisch: Aanduiding voor ongevallen met gevaarlijke stoffen. Ook ABC genoemd.
NCC Nationaal CrisisCentrum
NIBRA tegenwoordig: Nationaal Instituut voor Fysieke Veiligeheid
(H)OJ (Hoofd of Hulp) Officier van Justitie
PD Plaats Delict, de plek waar de ramp vermoedelijk is ontstaan, i.c. de plaats van het misdrijf
PCC Provinciaal CoördinatieCentrum

PMK

PolitieMeldKamer, roepnaam HB (HoofdBureau), in Amsterdam ook bekend als "kamer 14"
Pitwagen politie-auto met zwaailicht ("blauwe pit")
PTSS (PTSD) Post Traumatische Stress Stoornis (Post Traumatic Stress Disorder)
OGS Ongevallen met Gevaarlijke Stoffen
OvD-B/P/G

Officier van Dienst, dagelijks operationeel leidinggevende bij grotere incidenten, meestal 1 per gemeente of groep van gemeentes in een veiligheidsregio.
Bij opschaling komen de Regionaal- en/of Hoofd Officier van Dienst van de veiligidheidsregio in actie.
B voor brandweer, P voor Politie, G voor Geneeskundig.

Het aantal OvD's groeit snel. Ook Defensie en andere operationele diensten noemen hun piketchef Officier van Dienst.

OIO

Officier Informatie en Opschaling, verzorgt bij een GRIP de informatievoorziening tussen de hulpverleners in het veld en de Operationele en Beleidsteams.
Als er opgeschaald moet worden regelt de OIO wie, wat, waar en hoe.
De OIO neemt bij een grootschalig incident taken van de (H)OvD uit handen.

Rampgebied Het totale gebied dat door een ramp getroffen is, bestaande uit het rampterrein, het effectgebied en het gebied waarbinnen speciale maatregelen van toepassing zijn, bestaande uit de "binnenring" en de "buitenring".
Rampterrein De plaats van de ramp en het effectgebied: De "binnenring" waarin de rampenbestrijdingeenheden opereren onder bevel van het Commando RampTerrein.
RCC Regionaal CommandoCentrum
RGF Regionaal Geneeskundig Functionaris (GHOR)
RKK Rode Kruis Korps, levert bemensing voor een SIGMA
ROGS Regionaal Officier Gevaarlijke Stoffen (brandweer)
ROVD Regionaal Officier van Dienst (zie OvD)
RIT Rampen IdentificatieTeam, onderdeel van het LTFO Landelijk Team Forensische Opsporing
RIV Rapid Intervention Vehicle (zie SAV)
SAR Search and Rescue, ook wel Sea Air Resque genoemd - reddingshelicopter voor operaties boven zee
SAV Snel Aanvals Voertuig (= RIV, SIE): Klein, snel blus- of hulpverleningsvoertuig met aanvalsmateriaal voor de eerste inzet
SIE Snelle Interventie Eenheid (zie SAV).
In Amsterdam-Amstelland is de SIE een voertuig voor de inzet bij Ongevallen met Gevaarlijke Stoffen.
SIGMA Snel Inzetbare Groep voor Medische Assistentie
SIS Snelweg Incident Scenario. In de SIS-matrix staan zes typen snelweg-incidenten in verschillende gradaties, waarop de hulpdiensten maatscenario's kunnen maken.
Sitrap SITuatie RAPport vanuit het rampterrein naar de Operationele - en Beleids-Teams.
SPR SteunPunt Regio: 6 grote brandweerregio's die over extra materieel beschikken om andere regio's te kunnen ondersteunen bij grootschalige ongevallen met gevaarlijke stoffen.
De regio's zijn Amsterdam-Amstelland, Groningen, Haaglanden, Noord-Oost Gelderland, Rotterdam-Rijnmond en Zuid-Oost Brabant.
TAS TankAutoSpuit: Blusvoertuig met watertank, tevens uitgerust met hydraulisch redgereedschap en bemanning van 5 tot 7 brandweerlieden en bevelvoerder. Zie ook AutoSpuit (AS)
TIS Trein Incident Scenario. In de TIS-matrix staan vijf typen treinincidenten en vier gevolgcategorieŽn. Op deze manier zijn er twintig mogelijke scenario's, waarop de hulpdiensten maatscenario's kunnen maken.
Trauma Centrum Ziekenhuis gespecialiseerd in de opvang van (ernstige) ongevalslachtoffers. Een MMT heeft meestal zijn basis op een Trauma Centrum.
Trauma Heli Helicopter bestemd voor het vervoer van een MMT. In principe worden er geen gewonden vervoerd in een Trauma Heli (= MUH). Alleen in zeer spoedeisende gevallen met een Trauma Centrum op grote afstand wordt de patiënt per heli vervoerd.
TraumaTeam Mobiel Medisch Team bestaande uit arts, verpleegkundige en chauffeur/piloot
Triage Het classificeren van slachtoffers in categorieën van T1 tot T4.
T1 betekent acuut levensgevaar, T2 dreigend levensgevaar, T3 niet levensbedreigend en T4 houdt in dat het slachtoffer zo ernstig gewond is dat zijn overlevingskans minimaal is.
UAR (Drone) Unmanned Aerial Vehicle of Drone, een onbemande mini-helicopter uitgerust met (infrarood)-camera's die luchtopnames van een incident kan maken op lokaties waar een grote bemande helicopter niet kan komen. Een UAR kan middels een GPS systeem ook langere tijd op een vaste plek blijven hangen.
UGS UitGangsStelling: Lokatie waar rampenbestrijdingseenheden verzamelen voor en na de inzet in het rampterrein
USAR Urban Search And Resque team: Nederlandse bijstandseenheid voor het zoeken en redden van ingesloten of bedolven slachtoffers bij rampen in binnen- en buitenland USAR
VCE Vapour Cloud Explosion: Een dichte wolk hoogexplosief gas komt in de buitenlucht in contact met een hittebron en explodeert.
VC-wagen Verbindings-Commando wagen (brandweer en GGD)
VG
Verzamelplaats Gewonden
= Gewondenverzamelplaats: Plaats buiten het rampterrein waar gewonden worden verzorgd en klaargemaakt voor transport naar een ziekenhuis
VOS

Vliegtuig Ongeval scenario Schiphol. Voorheen 7 levels, tegenwoordig 4:

Klein vooralarm - pan-pan call: assistentie bij landing gevraagd, maar geen ernstige problemen; alleen alarmering luchthavenbrandweer
Groot vooralarm - mayday call: noodlanding of grote problemen op de grond; GRIP-2, interregionale alarmering
Kleine VOS - ongevallen op de grond, geen brand; geen GRIP, regionale alarmering
Grote VOS - crash, brand in of om vliegtuig, vermist vliegtuig; GRIP-3, interregionale alarmering

De Schiphol luchthavenbrandweer kent nog 2 typen alarmering:
Bijstand bij vliegtuigongeval - inzet bij een vliegtuigongeval buiten het luchthaventerrein;
Bijstand anders dan vliegtuigongeval - overheidsbrandweer vraagt bijstand van luchthavenbrandweer buiten het luchthaventerrein, bij een incident waarbij geen vliegtuig betrokken is

VOR

Vliegtuig Ongeval scenario Rotterdam:
VOR 1 - Voorzorgslandingen of klein incident.
VOR 2 - Noodlanding van een vliegtuig met 1-6 personen aan boord.
VOR 3 - Noodlanding van een vliegtuig met 7-54 personen aan boord.
VOR 4 - Noodlanding van een vliegtuig met meer dan 54 personen aan boord.
VOR 5 - Crash van een vliegtuig met 1-6 personen aan boord. Of een ongeluk met een vliegtuig onderweg van of naar of op een afhandelingspositie met 1-6 personen aan boord.
VOR 6 - Crash van een vliegtuig met 7-54 personen aan boord. Of een ongeluk met een vliegtuig onderweg van of naar of op een afhandelingspositie met 7-54 personen aan boord.
VOR 7 - Crash van een vliegtuig met meer dan 54 personen aan boord. Of een ongeluk met een vliegtuig onderweg van of naar of op een afhandelingspositie met >54 personen aan boord.

WTS WaterTransport Systeem.
Er zijn systemen voor 3 transportlengtes:
WTS200 bestaat uit een combinatie van 2 autospuiten waarvan er één als "haler" dienst doet. De maximale afstand is 200 meter.
WTS1000 is een haakarmbak met een los afzetbare grootvermogen dompelpomp en 1000 meter rijdend-uitrolbare 6-duims slangen.
Bij WTS2500 komt een extra slangen-haakarmbak die 3000 meter transportslang bevat, waarvan 2500 meter rijdend uitrolbaar is.
WVD Waarschuwings en Verkennings Dienst (Brandweer) voor meten van gevaarlijke stoffen
ZAUStat
ZiekenAutoStation
Opstelplaats voor in te zetten ambulances



Weer alarm:

Het KNMI geeft 24 uur voordat er extreem weer wordt verwacht een zogenaamd weer alarm af.
Bij een weer alarm gaat het om:

  • Storm met windkracht 9 en meer in de zomermaanden
  • Storm met windkracht 10 en meer in de wintermaanden
  • Zeer zware windstoten vanaf 100 km/u
  • Zware sneeuwval: 3 cm in een uur, 10 cm in 6 uur
  • Sneeuwjacht: Sneeuwval met wind vanaf windkracht 6
  • Gladheid en ijzel
  • Zwaar onweer
  • Overvloedige regen: 75 mm in 1 dag of 100 mm binnen 3 dagen

Het alarm wordt verspreid via de media en op de KNMI website.
Bij een weeralarm horen geen adviezen. Op grond van de informatie moet de bevolking zelf bepalen hoe men hiermee omgaat.

Zie www.knmi.nl/waarschuwingen_en_verwachtingen/overzicht_waarschuwingen.html

 



Schalen:

Aardbevingen: (Magnitude)Schaal van Richter

1: Zeer lichte aardbeving wordt door mensen niet gevoeld
2: Zeer lichte aardbeving trillingen voelbaar, geen schade
3: Lichte aardbeving wordt wel binnenshuis gevoeld
4: Lichte aardbeving schrikreacties, weinig schade
5: Lichte aardbeving stevige gebouwen kunnen lichte schade hebben, slechte gebouwen zware
6: Zware aardbeving paniek bij mensen en dieren, spoorrails verbuigen, zware schade aan gebouwen
7: Zeer zware aardbeving zware schade aan gebouwen en ondergrondse leidingen worden vernield
8: Extreem zware aardbeving algemene verwoesting van gebouwen.
9: Extreem zware aardbeving niets blijft overeind, rotsen breken in stukken, veel aardverschuivingen

In de overzichten op deze site staan bevingen zwaarder dan 3.0 op de Schaal van Richter.

Aardbevingen: Intensiteitenschaal van Mercalli

1 (I): Niet gevoeld. Slechts door seismometers geregistreerd
2 (II):Nauwelijks gevoeld, alleen onder gunstige omstandigheden gevoeld.
3 (III): Zwak, door enkele personen gevoeld. Trilling als van voorbijgaand verkeer.
4 (IV): Vrij sterk, door velen gevoeld. Trilligen als van zwaar verkeer. Rammelen van ramen en deuren
5 (V): Sterk, algemeen gevoeld. Opgehangen voorwerpen slingeren. Slapende mensen worden wakker.
6 (VI):Lichte schade. Schrikreacties. Voorwerpen in huis vallen om. Lichte schade aan minder solide huizen.
7 (VII):Behoorlijke schade. Schade aan veel gebouwen. Schoorstenen breken af. Golven in vijvers. Kerkklokken geven geluid.
8 (VIII): Zware schade. Algehele paniek. Algemene schade aan gebouwen. Zwakke bouwwerken gedeeltelijk vernield.
9 (IX): Verwoestend. Veel gebouwen zwaar beschadigd. Schade aan funderingen. Ondergrondse pijpleidingen breken.
10 (X):Buitengewoon verwoestend en extreme schade. Verwoesting van vele gebouwen. Schade aan dammen en dijken. Grondverplaatsing en scheuren in de aarde
11 (XI):Catastrofaal. Algemene verwoesting van gebouwen. Rails worden verbogen. Ondergrondse leidingen vernield.
12 (XII):Buitengewoon catastrofaal. Algemene verwoesting. Verandering in het landschap. Scheuren in rotsen. Talloze vernielingen

De intensiteitsschaal van Mercalli geeft vooral de effecten van een aardbeving aan de oppervlakte weer. Die effecten zijn afhankelijk van de kracht van de beving en de diepte ervan onder het aardoppervlak. De magnitude schaal van Richter is onafhankelijk van de locatie waar deze wordt berekend, is dus karakteristiek voor de kracht van de aardbeving zelf en daardoor te vergelijken met andere bevingen.
Bron: KNMI

 

Fujita Tornado Damaga Scale

F0: Gale Tornado (40 - 72MPH)
Light Damage. Some damage to chimneys; breaks branches off trees, pushes over shallow-rooted trees, damages sign boards.
F1: Moderate Tornado (73 - 112 MPH)
Moderate Damage. Lower limit is the beginning of hurricane-force winds. Peels surface off roofs; mobile homes pushed over; moving autos pushed off roads.
F2: Significant Tornado (113 - 157 MPH)
Considerable damage. Roofs torn off frame houses; mobile homes demolished; boxcars pushed over, large trees snapped or uprooted; light-object missiles generated.
F3: Severe Tornado (158 - 206 MPH)
Severe damage. Roofs and some walls torn off well-constructed homes; trains overturned; most trees in forest uprooted; heavy cars lifted off the ground and thrown.
F4: Devastating Tornado (207 - 260 MPH)
Devastating damage. Well-constructed homes leveled; structures with weak foundations blown off some distance; cars thrown and large missiles generated.
F5: Incredible Tornado (261 - 318 MPH)
Phenomenal damage. Strong frame homes disintegrate or lifted off foundations and carried considerable distance; tress debarked.

Enhanced Fujita Scale ( en.wikipedia.org/wiki/Enhanced_Fujita_Scale):

Schaal
mph
km/u
schade voorbeeld:
EF0
65–85
105–137
EF0 damage example
EF1
86–110
138–178
EF1 damage example
EF2
111–135
179–218
EF2 damage example
EF3
136–165
219–266
EF3 damage example
EF4
166–200
267–322
EF4 damage example
EF5
>200
>322
EF4 damage example

 

 

Windkracht: Schaal van Beaufort

0: windstil (0-1 km/u), spiegelgladde zee
1: zwak (1-5 km/u), gerimpelde zee
2: zwak (6-11 km/u), kleine korte golven
3: matig (12-19 km/u), kleine brekende golven
4: matig (20-28 km/u), kleine golven met schuimkoppen
5: vrij krachtig (29-38 km/u), matige golven, overal schuimkoppen
6: krachtig (39-49 km/u), grotere golven, opwaaiend schuim
7: harde wind (50-61 km/u), hogere golven met schuimstrepen
8: stormachtig (62-74 km/u), hogere golven met flinke schuimstrepen
9: storm (75-88 km/u), hogere golven met schuim en rollers
10: zware storm (89-102 km/u), zeer hoge golven, witte schuimende zee
11: zeer zware storm (103-117 km/u), buitengewone golven, slecht zicht
12: orkaan (hoger dan 117 km/u), lucht met schuim, geen zicht op afstand

In dit overzicht staan zeer zware stormen of stormen met windstoten vanaf windkracht 11 (103 km/u)

 

 

N.A.P. waterhoogte

N.A.P., het Normaal Amsterdams Peil is een vlak ten opzichte waarvan we in Nederland de hoogte van land en water aangeven. Nederland ligt voor ongeveer eenderde deel beneden de zeespiegel. Voor een laaggelegen land als Nederland ligt het voor de hand om het zeeniveau als referentievlak voor hoogtemetingen te nemen. We zijn daar zo aan gewend en mee vertrouwd, dat 'NAP' voor ons gelijk is aan 'zeeniveau'. Maar het zeeniveau is geen constante, dus het vaststellen van het peil begint met het kiezen van een referentiehoogte en het vastleggen daarvan. Dan moet deze hoogte worden overgebracht naar een groot aantal plaatsen in het hele land, en daar worden vastgelegd door middel van peilmerken. Deze zgn. 'verspreiding' van het NAP door het land wordt gedaan door middel van waterpassing, een landmeetkundige techniek. Hierbij wordt in een groot aantal stappen (zgn. slagen) met een lengte van ieder 100 à 200 m het peil vanuit Amsterdam overgebracht naar andere delen van het land (zgn. doorgaande waterpassing). De peilmerken met hun bekende en vaste hoogte dienen als uitgangspunt voor hoogtebepalingen door gebruikers van het NAP, b.v. aannemers, wegenbouwers, waterschappen.
(bron: home.tiscali.nl/~wr2777/NAP-niveau.htm)

 

©2013 zero-meridean OSP
copyleft GFDL:
Zie verantwoording
afkortingen bronnen verantwoording sitemap mail

= nieuwe pagina in een nieuw venster
= nieuwe pagina in hetzelfde venster
= andere paragraaf op deze pagina