afkortingen bronnen verantwoording sitemap mail




Rampen bestrijden

de overheidstaken

de organisatie van de rampenbestrijding:

GRIP
Regionaal Beheersplan Rampenbestrijding
Leidraad Operationele Prestaties : Kwaliteit of kwantiteit ?

 

Overheidstaken

De gemeente waarin de ramp plaatsvindt is verantwoordelijk voor de eigen rampenbestrijding, maar in de nieuwe Wet Veiligheidsregio's worden veel rampenbestrijdingstaken bij zo'n veiligheidsregio ondergebracht. Die taken zijn in hoofdlijnen:

 

Situatie inschatten / Verkennen van het rampgebied

Het gebied wat getroffen is en waar uitbreiding dreigt moet in kaart gebracht worden. Dat is het rampterrein oftewel: De binnenring. Daaromheen wordt in cirkels de buitenringen bepaald, waar speciale maatregelen worden ingesteld en wellicht evacuaties gaan plaatsvinden. Binnen- en buitenring vormen samen het rampgebied.
Er moet ingeschat worden hoeveel slachtoffers er zijn of nog bij kunnen komen.
Er moet worden gekeken naar de directe en lange-termijn risico's voor uitbreiding van het incident en het vrijkomen van gevaarlijke stoffen.
Er moeten worden bepaald hoeveel en welke rampenbestrijdingseenheden er nodig zullen zijn. In een later stadium komt daar de zorg voor aflossing en verzorging van die eenheden bij.
Aan de hand van deze informatie kunnen de Gemeentelijke Rampenstaf , opgesplitst in een Operationeel Team en een BeleidsTeam, en het Commando RampTerrein hun beleidsmatige en coördinerende rol gaan vervullen.

 

Mensen en dieren redden, branden bestrijden

De rampenbestrijdingseenheden krijgen in het rampterrein een inzetvak waarbinnen ze de ramp gaan bestrijden:
Mensen en dieren worden opgespoord en bevrijd. Gewonden worden opgevangen in gewondennesten waar de eerste triage plaatsvindt. De geredden worden buiten het rampterrein opgevangen en in veiligheid gebracht. Branden worden geblust en de omgeving wordt afgekoeld. Het vrijkomen van gevaarlijke stoffen wordt tegengegaan en gebouwen worden tegen instorten beveiligd.

 

Gewonden opvangen en verzorgen

Buiten het rampterrein moeten gewondenverzamelplaatsen, ambulance-opstelplaatsen (de zg. loodsposten en ziekenautostations) en landingsfaciliteiten voor trauma- en reddingshelicopters komen.
In ziekenhuizen in de omgeving moet extra behandelcapaciteit geregeld worden en er moet een een gewonden-verspreidingsplan worden gemaakt.
Van de gewonden wordt vastgesteld welke medische urgentie hij/zij heeft ( triage), wie het is en waar hij/zij naartoe gebracht wordt. Een geautomatiseerd SlachtofferVolgSysteem kan de slachtoffers vanaf het gewondennest tot in het ziekenhuis volgen. Daardoor kunnen ziekenhuizen tevoren inschatten met welke verwondingen ze te maken gaan krijgen. Tijdens het transport kan de ziekenhuiscapaciteit worden herberekend, zodat inzichtelijk wordt of een ander ziekenhuis wellicht beter geschikt is om het slachtoffer op te vangen. Tevens kan de familie direct geinformeerd worden over de verblijfplaats van een slachtoffer.
Er dient psychische bijstand te worden geregeld, zowel voor direct betrokkenen als voor de familie en omstanders.

 

Gebieden ontruimen / mensen en dieren evacueren

De ontruimingszones en het aantal betrokkenen moet worden vastgesteld. Voor hen moeten opvanglokaties en transport geregeld worden. De te evacueren bevolking moet via het sirenenet en de rampenzenders geinformeerd worden.
Eventueel moet de evacuatie onder politiedwang in gang gezet worden. De mensen moeten worden opgevangen, geregistreerd en van voedsel, kleding en en slaapplaats worden voorzien. Er moet psychische bijstand geregeld worden.
In een latere fase moet voor financieële steun en vervangende woonruimte gezorgd worden.

 

Orde handhaven en verkeer regelen

Het rampgebied moet worden afgezet en de toegangen tot het rampterrein moeten bewaakt worden.
Aan- en afvoerroutes en opstelplaatsen voor de hulpdiensten moeten vrijgehouden worden. Voor de opvang van hulpdiensten die niet ter plaatse bekend zijn moeten er zg. loodsposten worden ingericht, vanwaaruit onder politiebegeleiding het rampgebeid bereikt kan worden.
In een latere fase moeten er omleidingsroutes voor het verkeer worden geregeld.
Plunderingen en massale uitbastingen van paniek, woede of vluchtgedrag moet worden tegengegaan

 

Nood voedel- en drinkwater-, gas- en lichtvoorzieningen treffen

Het gebied waarbinnen eerste levensbehoeften gedistribueerd moeten worden moet worden vastgesteld. De uitdeelposten moeten worden bepaald en er moet een registratiesysteem worden ingericht.
De tijdsduur van de distributie moet worden bepaald. De te verstrekken hoeveelheden moeten worden gemaakt en aangevoerd, waarvoor wellicht productie- en transportmiddelen moeten worden geregeld.

 

Doden bergen, identificeren en ter aarde bestellen

Als de geredden zijn afgevoerd en het rampterrein enigzins afgekoeld en veilig is, kunnen de overleden slachtoffers worden opgespoord en geborgen.
Op de vindplaats worden foto's gemaakt en identificatiemateriaal veiliggesteld.
Er moet een ruimte worden gevonden waar de lichamen en lichaamsdelen kunnen
worden opgeslagen en geidentificeerd: De morgue of mortuarium. Na registratie en identificatie van de slachtoffers moet hun naaste familie worden ingelicht en psychisch begeleidt.
Er moet een plan komen voor de wijze waarop de uitvaarten zullen plaatsvinden. De opbaring en ter aarde bestelling zelf moet worden geregeld.

 

Informatie, voorlichting, verslaglegging en verantwoording

Vanuit het rampterrein moeten er regelmatig sitraps (situatie rapporten) naar de verschillende coördinatie-, commando- en actiecentra gestuurd worden. Die centra moeten hun activiteiten en genomen besluiten vastleggen.
De gemeente moet omliggende gemeenten, de provincie en eventueel de landelijke overheid informeren over de rampsituatie en de voortgang van de bestrijding ervan. Ook moet de bevolking (via de pers) geinformeerd worden.
Een justitieel en forensisch onderzoek moet aan het licht brengen of er laakbare of strafbare feiten aan de ramp ten grondslag lagen.
Na het beeindigen van de rampsituatie zal de gemeente verantwoording moeten afleggen over de genomen acties en besluiten. Ook andere overheden en diensten zullen aan de hand van logboeken rapporten opstellen en eventueel verantwoording afleggen.

 

 

De organisatie van de rampenbestrijding

De brandweer

De brandweer is in Nederland aangewezen als de organisatie die de kern van de rampenbestrijding vormt. Zij beschikt daartoe over speciaal op rampenbestrijding toegespitst materieel, zoals

  • Pompen met zeer groot vermogen (10.000 liter per minuut) met grote hoeveelheden slangen van een grote diameter, die dus snel grote hoeveelheden water aan of af kunnen voeren
  • automatisch 'oscillerende' waterkanonnen, die onbemand water over een groot gebied kunnen spuiten
  • containers met grote hoeveelheden zwaar reddingsmateriaal voor bevrijding van beknelde slachtoffers
  • containers met gaspakken en ontsmettingsgereedschap
  • meetapparatuur en meetplannen voor ABC-rampen
  • verbindings/commandovoertuigen of -containers, die op de plaats van de ramp eigen communicatienetten kunnen opzetten en vergaderfaciliteiten voor het commando biedt.

Bij grote incidenten worden de gewone autospuiten en hulpverleningsvoertuigen samengevoegd tot brandbestrijdingspelotons en -compagnieën. Een brandbestrijdingspeloton bestaat in principe uit 4 autospuiten met 1 hulpverleningsvoertuig en een eigen commando-eenheid, totaal een man of 30.

In industriegebieden met zware petro-chemische industie zijn er samenwerkingsverbanden tussen de barndweerkorpens en de bedrijfsbrandweren. In Amsterdam-IJmond is het Amsterdam Mutual Aid System beschikbaar: Zware schuimblus eenheden en grote hoeveelheden schuimvormend middel voor de brandbestrijding in de petro-chemische industrie. In Rotterdam-Botlek en Moerdijk zijn gezamenlijke brandweerposten met gespecialiseerd brandblus- en hulpverleningsmaterieel.

 

De gezondheidsdiensten

Wanneer een ambulance als eerste bij een grootschalig incident ter plaatste komt, voert deze bemanning in eerste instantie de medische coördinatie uit. Daartoe is elke ambulance uitgerust met een groen zwaailicht en zal ook niet gebruikt worden voor gewondentransport. Vanuit de MeldKamer Ambulancezorg (MKA) of de Gemeenschappelijke MeldKamer GMK) komt dan, indien nodig, versterking in de vorm van een Commando-voertuig met een Medisch Leider RampTerrein, die deze taak van de ambulancebemanning overneemt.
De Gezondheidsdiensten kunnen in rampensituaties de Grootschalige Geneeskundige Bijstand (GGB) oproepen. Via een geautomatiseerd systeem worden direct het regionale ambulance-personeel dat niet in actieve dienst is opgeroepen ("vrije instroom"). Zij komen met speciale calamiteiten-voertuigen met extra geneeskundig materiaal naar de rampplek.
Tegelijk wordt ook op landelijk niveau de inzet van grote aantallen extra ambulances en Mobiele Medische Teams in gang gezet, zodanig dat toch de ambulance-dekking in de diverse regio's binnen de norm kan blijven.
Deze bijstand moet binnen 1 uur operationeel zijn voor de opvang van zwaargewonde slachtoffers in het rampgebied. In dit plan worden die slachtoffers zo snel mogelijk volgens een vastgesteld spreidingsplan naar ziekenhuizen overgebracht voor gerichte medische zorg.
Voor de opvang van licht- of niet-gewonde slachtoffers gaat het Rode Kruis hun Noodhulpteams oproepen.
Binnen 2 uur wordt extra logistiek materieel, zoals containers met voorraden eerstehulp-sets, brancards en tenten voor de vorming van gewondennesten, naar de rampplek overgebracht.

 

Ziekenhuizen

Ziekenhuizen zijn voor de trauma-zorg ingedeeld in levels, al naar gelang de faciliteiten voor SpoedEisende Hulp (SEH) en de opvangcapaciteit van de Intensive Care (IC) afdelingen:

11 ziekenhuizen beschikken over level-1 traumacentra, waar alle specialisaties en grote IC's 7x24 uur beschikbaar zijn. De trauma-teams van deze centra zijn ook per auto inzetbaar: De Mobiele Medische Teams (MMT). 4 Traumacentra - Amsterdam VU, Rotterdam Erasmus (Rotterdam Airport), Nijmegen Radboud (Volkel) en Groningen UMCG - beschikken over een trauma-heli, de Lifeliners 1 t/m 4 (zie kader rechts).
Level-2 ziekenhuizen beschikken over voldoende specialiteiten voor de behandeling van complexe trauma's, maar hebben een kleinere IC capaciteit en missen sommige bijzondere specialisaties zoals hersen- en thorax-traumatologie.
in Level-3 ziekenhuizen kunnen slachtoffers met niet-levensbedreigende letsels zoals botbreuken worden behandeld.
Ook de HuisArtsenPosten (HAP) krijgen bij een ramp te maken met slachtoffers die zich op eigen gelegenheid melden. De huisartsen kunnen zelf lichte verwondingen behandelen, maar eventueel ook doorverwijzen naar een ziekenhuis.

Een bijzonder ziekenhuis is het Calamiteiten Hospitaal - onderdeel van het Universitair Medisch Centrum Utrecht - is een "slapend" ziekenhuis, dat snel kan worden geactiveerd om tijdens rampen en in oorlogssituaties extra ziekenhuis-capaciteit te bieden of besmette patiënten in quarantaine te behandelen. Het ziekenhuis bestaat uit een intensive care afdeling (12 bedden), een medium/low care afdeling (50 bedden), twee low care afdelingen (totaal 200 bedden), vier isolatieboxen, drie operatiekamers met recovery, een röntgenafdeling en een triage- en behandelruimte (35 bedden). Het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum van het RIVM maakt onderdeel uit van het Calamiteiten Hospitaal, zodat bij slachtoffers met Atomaire, Biologische of Chemische (ABC-)besmettingen een snelle diagnose mogelijk is.

 

De politie

De politie kan bij rampen een beroep doen op specialistisch materieel van de Landelijke Eenheid van de Nationale Politie (voorheen het Korps Landelijke PolitieDiensten), bij voorbeeld helicopters, onbemande verkenningsvliegtuigjes ("drones"), schepen, verbindingswagens met videoapparatuur en afzetmateriaal. Voor de afzetting van het rampterrein zijn ruiters, hondengeleiders en pelotons Mobiele Eenheid inzetbaar.
De Dienst Speciale Interventies (DSI) kan indien nodig zwaarbewapende anti-terreur eenheden leveren.
Motorrijders zorgen voor de begeleiding van ambulances naar ziekenhuizen. Ook zorgen ze voor de opvang van toestromende hulpverleningsvoertuigen op loodsposten om ze vandaaruit naar het rampterrein te begeleiden.
Middels de heli en de drone kan ook het brandweercommando een overzicht van het rampterrein vanuit de lucht krijgen.
Het Landelijk Team Forensische Opsporing (vroeger het Rampen Identificatie Team geheten) is het politie-onderdeel dat het meest zichtbaar is op het rampterrein. Dit team, opgericht na de Tenerife-vliegramp, heeft een enorme expertise opgebouwd in het opsporen en identificeren van stoffelijke resten. Ook grootschalig forensisch onderzoek naar de oorzaken van rampen behoort tot het werkterrein van het LTFO. Het LTFO bestaat uit specialisten van de politie, Koninklijke Marechaussee en het Nederlands Forensisch Instituut.

 

Defensie

Naarmate het incident grootschaliger wordt, neemt de rol van Defensie in omvang toe.
De Landmacht kan extra mankracht leveren voor het afzetten van en toezicht houden in rampgebieden, maar ook bijstand van in (oorlogs)trauma-chirurgie gespecialieerde medische crews.
De Genie van de Landmacht beschikt over zeer zwaar materiaal zoals generatoren, zeer-groot vermogen pompen en drinkwaterzuiverings-installaties, maar ook materiaal om puin te ruimen, dijken, wegen en bruggen aan te leggen.
Maar ook bij kleinere incidenten levert Defensie ondersteuning aan de hulpverleningsdiensten: zo komt de Explosieven Opruimings Dienst (EOD) van de Landmacht regelmatig in actie voor het verkennen en onschadelijk maken van explosieven. De EOD heeft ook een varende tegenhanger bij de Marine.
De Marine heeft specialistische duikteams die ook bij Search And Resque operaties op grote binnenwateren worden ingezet.
De Luchtmacht zal bij grootschalige bosbrandbestrijding met hun zware transportheli's waterzakken boven het brandterrein leegstorten. De transportheli's kunnen ook worden gebruikt voor het snel invliegen van gespecialiseerde eenheden in het rampterrein. Speciale F16's (en later de nieuwe F35's) kunnen zeer gedetaillieerde fotoverkenningen van het rampterrein uitvoeren, wat ze ook wel eens doen bij de opsporing van vermiste personen. De zware crashtenders van de Luchtmacht-vliegbases worden ook af en toe ingezet bij de blussing van zeer grote branden.
Defensie treedt samen met de politie op in de Dienst Speciale Interventies (DSI). Deze dienst levert Arrestatie-Teams (AT's) en antiterreur-eenheden, waaronder precisie-schutters.
Een bijzondere vorm van bijstand is het ter beschikking stellen van Defensie-terreinen en -gebouwen als uitvalsbasis en onderkomen voor ingezette hulpverleningspersoneel, maar ook in de vorm van een compleet mortuarium en onderzoeksruimtes voor de slachtoffer-identificatie in de Hilversumse Korporaal van Oudheusdenkazerne.

 

Andere diensten

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken houdt een eigen voorraad rampenbestrijdingsmateriaal aan, waar de lokale overheden uit kunnen putten als de eigen voorraden op zijn, of voor zeer uitzonderlijk materiaal zoals drinkwater producerende machines en zandzakken.

Het Ministerie van Justitie is verantwoordelijk voor het justitieel onderzoek naar de oorzaak van de ramp. Een Officier van Justitie maakt deel uit van het BeleidsTeam.
De gang van zaken tijdens de rampenbestrijding wordt in Processen-Verbaal vastgelegd. Tijdens het bergen en identificeren van de slachtoffers wordt zoveel mogelijk forensisch materiaal veiliggesteld. Zodra de hulpdiensten het rampterrein veilig hebben gemaakt kan het sporenonderzoek van start gaan. Een rechercheteam zal door het verhoren van direct betrokkenen trachten de omstandigheden die aan ramp voorafgingen in beeld te brengen. Aan de hand van die gegevens kan het Ministerie van Justitie een strafrechtelijk onderzoek beginnen als blijkt dat laakbare of stafbare feiten de aanleiding tot de ramp vormden (zoals bijvoorbeeld in Volendam en Enschede).

In de rampenbestrijding is ook een rol weggelegd voor andere diensten, instanties en bedrijven:

  • De luchthavens met hun speciale zware crashtenders bij vliegtuigrampen (maar soms ook bij industrierampen in de buurt van luchthavens).
  • De spoorwegen met hun eigen specialistisch hulpverleningsmateriaal bij spoorwegrampen.
  • De kustwacht en kustreddingsmaatschappijen bij rampen in de kustwateren.
  • De reddingsbrigades met een vloot van ondiepe reddingsvletten voor overstromingsrampen.
  • Reddingshondenteams, met speciaal op mensen- en lijkengeur getrainde zoekhonden.
  • Rijkswaterstaat bij verkeersrampen en milieurampen te water (onder andere met oilbooms en chemische bestrijdingsmiddelen).
  • Dierenambulance's voor de opvang en verzorging van (huis)dieren.
  • Nutsbedrijven voor het leveren van drinkwater, gas en licht.
  • Telecommunicatie bedrijven voor het leggen van (nood)-communicatieverbindingen.
  • Hoogheemraadschappen bij overstromingen en milieurampen.
  • Busmaatschappijen voor het leveren van bussen bij evacuaties.
  • Particuliere bedrijven voor het leveren van specialistisch materieel (zware pompen, draglines, kranen, shovels) en aanvullende voorraden (bijvoorbeeld zandzakken).
  • Bouwkundige specialisten voor advies over sloop- en herstelwerkzaamheden aan gebouwen.
  • Het BevolkingsRegister voor het registreren van slachtoffers
  • De RijksDienst voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) voor specifek onderzoek naar verontreinigingen en besmettingen
  • De Gemeentelijke Sociale Dienst voor voedsel- en kledingvoorzieningen en financieële steun
  • Sporthallen, evenementenzalen, scholen en bejaardentehuizen voor de opvang van evacués.

 

 

Bestuurlijke organisatie

De Wet Veiligheidsregio's beschrijft de bestuurlijke organisatie:
Tijdens een ramp heeft de burgemeester van de betreffende gemeente het opperbevel. Bij gemeentegrens-overschrijdende rampen neemt het hoofd van veiligheidsregio die taak over. Dat is meestal de burgemeester van de hoofdplaats van de regio.
Daarbij wordt hij ondersteund door 2 teams:
Het BeleidsTeam richt zich op het maken van beleid, vastlegging en priorisering van besluiten, contacten met andere overheidsorganen en voorlichting aan de bevolking en de pers. Een Beleids Team kan op gemeentelijk en op regionaal niveau optreden. Dat is afhankelijk van de uitstraling die een ramp kan hebben op de omliggende gemeenten (zie GRIP).
Het Operationeel Team vertaalt besluiten in opdrachten voor de hulpverleners ter plaatse en regelt de logistieke zaken. Het Operationeel Team is altijd een regionaal team.

Wanneer een ramp gemeentegrenzen overschrijdt kan de Commissaris van de Koningin (CdK) van de betreffende provincie het opperbevel overnemen en burgemeesters beleidsaanwijzingen geven. Uiteindelijk kan de Minister van Binnenlandse Zaken de diverse CdK's aanwijzingen geven als de ramp een nog grotere omvang heeft (zie GRIP).
De operationele leiding is in handen van de Commandant van de brandweer, die daarmee in feite ook de andere operationele diensten zou aansturen. In de praktijk zijn er diverse niveaus van overleg waar de hulpverleners elkaar ontmoeten:

Het motorkap overleg is het overleg dat het eerst en het dichtst bij de plaats van het incident plaatsvindt. De bevelvoerder van het eerst aankomende voertuig, de eerste ambulancebemanning en de eerste politieagenten ter plaatse bepalen hier in eerste instantie de strategie. Dit overleg wordt bij het eerste opschalen omgezet in het CoördinatieTeam Plaats Incident (CTPI) onder commando van de dienstdoende Regionaal Officier van Dienst (OvD) van de brandweer.

Bij verdere opschaling gaat het CTPI op in het COmmando Plaats Incident (COPI). Het commando wordt nu, afhankelijk van het soort incident, gevoerd door een Hoofd Officier van Dienst (HOvD) van één van de hulpdiensten. Als onduidelijk wie de leiding moet nemen, is dat per definitie altijd de brandweer.

Bij grote rampen wordt eerst het rampterrein vastgesteld: Dit is de plaats van de incident, de directe omgeving waar uitbreiding mogelijk is, en het "effectgebied" waar de ramp ernstige schade door brokstukken, water of hitte heeft veroorzaakt of giftige stoffen zijn terecht gekomen.
Binnen het rampterrein worden zelfstandig opererende teams ingezet in aparte inzetvakken, elk met hun eigen commando-lijn: COmmando RampTerrein (CoRT) .

De politie zal een Commando Omgeving Rampterrein (ComRT) inrichten. Dit commando richt zich op de ordehandhaving, verkeersmaatregelen en eventuele evacuaties in het gebied rondom het rampterrein. Meestal worden die gebieden in cirkels ingedeeld. Binnen elke cirkel gelden dan specifieke maatregelen.

Iedere operationele dienst zal ook een eigen commandopost of actiecentrum inrichten in of bij hun meldkamer of kantoren. Van hieruit worden per dienst de zaken gecoördineerd. Deze Operationele Teams verzorgen de uitvoering van opdrachten vanuit de Gemeentelijke RampenStaf en de situatie rapporten (sitraps) richting GRS.

Door de regionalisering van politie, brandweer en gezondheidszorg bevinden de operationele structuren zich in grotere verbanden dan de gemeente waarin de ramp heeft plaatsgevonden, terwijl de burgemeester eigenlijk als hoofd van de Gemeentelijke RampenStaf en het Gemeentelijk BeleidsTeam de directe eindverantwoordelijkheid heeft.
De ervaring leert dat met name kleinere gemeenten veel problemen hebben om hun rol in de bestuurlijke rampenorganisatie goed te spelen, zeker als een grote, bestuurskrachtige buurgemeente een groot deel van de operationele bijstand levert (bijvoorbeeld de Cindu-ramp in Uithoorn, 1992).
Er gaan stemmen op om ook voor de bestuurlijke afhandeling van rampen speciaal getrainde teams samen te stellen, die bij een ramp de gemeentelijke bestuurders te hulp kunnen komen. In toenemende mate bundelen gemeenten hun krachten al door de vorming van intergemeentelijke of regionale Crisis Management Teams die dezelfde structuur volgen als een GRS, bijvoorbeeld de 25 gemeenten in de provincie Groningen.

 

 

Burgerhulp

In de overzichtelijke theorie van de rampenbestrijding zijn er 4 primaire rollen die mensen tijdens en na een ramp kunnen vervullen: Zij die hulp behoeven, zij die hulp verlenen, pers en omstanders. Deze rollen hebben in de rampenplannen een duidelijke plaats: Binnen de met rood-wit lint afgezette Plaats Incident, in de cleane ruimten van de ziekenhuizen en opvangcentra, in de perscentra en thuis voor de TV.

In de praktijk lopen de rollen tijdens een ramp door elkaar heen:
Zij die hulp behoeven zullen vaak ook als hulpverlener optreden indien ze daar nog toe in staat zijn. Zeker in de eerste minuten na de ramp is er geen andere hulp te verwachten dan van degenen die zich in het hart van het rampgebied bevinden. Eénmaal bezig met hulp te bieden, zal die burger niet snel genegen zijn zich door de overheidshulpverleners af te laten voeren naar een opvangcentrum, zonder te weten wat er met huis, haard en dierbaren aan de hand is of de mogelijkheid te hebben die zelf te beschermen en te helpen.
Ook de professionele hulpverleners kunnen tijdens de rampenbestrijding op het rampterrein in de problemen raken en opeens afhankelijk worden van de burgerhulp die daar toevallig voorhanden is.
De omstanders - de niet direct getroffenen - willen graag helpen, zeker als zichtbaar is dat de hulpdiensten overbelast zijn en handen tekort komen. Zo werden tijdens de cafébrand in Volendam op 1 januari 2001 tientallen gewonden door omstanders huizen binnengebracht en onder de douche gezet. In de visie van de overheid echter hadden zij hun passieve, toekijkende rol achter het rood-witte afzetlint moeten spelen, of nog liever veilig thuis voor de TV, kijkend naar de rampenzender en braaf de aanwijzingen van de overheid opvolgend.

Gaandeweg ontstaat er meer besef bij de overheid dat de burgers in plaats van lijdzaam op afstand gehouden te worden, tijdens rampen best wel gevraagd kunnen worden om mee te helpen. De rampenbestrijdingsplannen zouden die burgerhulp een plek moeten geven, en de burgers zouden gerichte informatie kunnen krijgen over de manier waarop ze kunnen helpen.
Het zou goed zijn als er tijdens een ramp van overheidszijde ruimte kan worden gegeven om spontane burgerhulp te accepteren en effectief in te zetten, in plaats van deze burgers al tegenspartelend af te voeren in een ME busje.

 

 

Gecoördineerde Regionale Incidentenbestrijdings Procedure (GRIP)

Met de oprichting van een GRIP heeft de Regio Rijnmond een aanzet gegeven tot een gecoördineerde aanpak van grootschalige incidenten over de diverse diensten heen. Een dergelijke procedure wordt dus niet alleen bij rampen gebruikt.
Een GRIP loopt op van fase 1 tot en met fase 4, waarbij vanaf GRIP-3 in feite een volledig opgetuigde rampenstaf actief is. In deze GRIP procedures zijn te voren afspraken vastgelegd op welke wijze de bestuurlijke en operationele verantwoordelijkheid tijdens een incident geregeld is.
Het toepassen van een GRIP staat op zich los van de omvang van een incident, maar een ramp speelt zich al snel op GRIP-3 niveau af. Er hoeft niet noodzakelijkerwijs stapsgewijs door de GRIP niveaus opgeschaald te worden; er kan dus ook direct een GRIP-2, -3 of -4 worden ingezet.
Als het sirenenet gebruikt wordt om de bevolking te waarschuwen, is er altijd sprake van GRIP-3.

GRIP 1:
Lokale inzet met regionale bijstand.
COmmando Plaats Incident actief.
Bestuurlijke verantwoordelijkheid bij de Burgemeester.

GRIP 2:
Regionale inzet.
COmmando Plaats Incident en Operationeel Team actief.
Bestuurlijke verantwoordelijkheid bij de voorzitter van de veiligheidsregio.

GRIP 3:
Regionale inzet met bijstand van andere regio's.
COmmando Plaats Incident, Operationeel Team en Gemeentelijk Beleids Team actief, zo nodig aangevuld met een Provinciaal Coördinatie Centrum.
Bestuurlijke verantwoordelijkheid bij de voorzitter van de veiligheidsregio.
Commissaris van de Koningin en Minister van Binnenlandse Zaken geïnformeerd.

GRIP 4:
Inzet van diverse veiligheidsregio's, eventueel landelijke bijstand.
COmmando Plaats Incident, Operationeel Team en Regionaal Beleids Team actief, zo nodig aangevuld met Provincialel Coördinatie Centra en het Nationaal Crisis Centrum.
Bestuurlijke verantwoordelijkheid bij de voorzitters van de veiligheidsregios.
Commissaris van de Koningin en Minister van Binnenlandse Zaken kunnen (dwingende) aanwijzingen aan de Burgemeesters geven.


© Grip brochure Brandweer Amsterdam

De procedures zijn in grote lijnen in alle veiligheidsregio's hetzelfde, maar de exacte invulling kan verschillen.

 

 

 

Regionaal Beheersplan Rampenbestrijding

Een Regionaal Beheersplan Rampenbestrijding beschrijft het beleid en de organisatie van de rampenstrijding binnen een brandweer regio. In het plan worden ook de overige hulpdiensten opgenomen, hoewel hun regio's niet altijd overéén komen met die van de brandweer.
Het plan omvat een periode van 4 jaar en moet na die periode weer opnieuw vastgesteld worden.
Er wordt in beschreven welke knelpunten er binnen de regio bestaan en hoe die zullen worden opgelost. Ook worden de aanschaf van middelen, opleidings- en oefentrajecten beschreven.

 

 

Leidraad Operationele Prestaties: Kwaliteit of kwantiteit ?

In Nederland is de kwaliteit van de zwaailichtensector de afgelopen decennia fors toegenomen: Ambulances zijn rijdende traumakamers geworden, de garage-eigenaar als ambulancebroeder is vervangen door een hooggeschoolde traumaverpleegkundige, de vrijwillige brandweerman is van spuitvoerder omgeschoold tot multi-inzetbare hulpverlener. Zijn autospuit bevat behalve water en slangen een groot arsenaal aan technisch hulpverlenings materiaal. De politie-agent is van boevenvanger naar sociaal-maatschappelijke crisismanager uitgegroeid.

Maar bij grootschalige incidenten en rampen zal de kwaliteit meestal ondergeschikt gemaakt worden aan de kwantiteit:
In de rijdende traumakamer kan 1 patiënt optimaal behandeld worden, maar dat is minder relevant als er honderden op transport liggen te wachten. Dan voldoet een stadsbus veel beter.
En een autospuit met zijn technisch gereedschap en hogedruk nevelspuit is van weinig waarde als er enorme hoeveelheden water moeten worden aan -of afgevoerd. Dan gaat het om groot pompvermogen met dikke slangen.

De Leidraad Operationele Prestaties van het Ministerie van Binnenlandse Zaken geeft per ramptype en schaalgrootte (zie daarvoor de Leidraad Maatramp ) aan welke "inzetbehoefte" er zal zijn.
Aan de hand daarvan kan op regionaal niveau worden gekeken waar hiaten zullen ontstaan. Die hiaten kunnen worden ingevuld:

  • door meer mensen en materieel operationeel te hebben ; dat kost geld en is dus een bestuurlijke beslissing
  • of door op een bepaald moment tijdens de ramp tijdelijk terug te schakelen naar een lager kwaliteitsniveau ; dat is een operationele beslissing die tijdens een incident moet worden genomen, maar waar de RampenStaf wel op voorbereid kan zijn.

Bijvoorbeeld:
Als er binnen 1 uur maximaal 15 ambulances beschikbaar kunnen komen kun je dus 15 gewonden in dat eerste "gouden" uur met hoog-kwalitatieve zorg afvoeren naar een ziekenhuis. Als je dat te weinig vindt kun je besluiten om geld beschikbaar te maken voor meer ambulances.
Je kunt ook tijdens een incident met meer dan 15 gewonden beslissen om deze patiënten enige tijd in gewondennesten op te vangen of met een stadsbus naar een ziekenhuis de rijden. Dan is de zorg tijdelijk van een lagere kwaliteit.

 

 


De 25 Veiligheids
Regios

1 Groningen
2 Friesland
3 Drenthe
4 IJsselland
5 Twente
6 Noord-en Oost Gelderland
7 Gelderland Midden
8 Gelderland Zuid
9 Utrecht
10 NoordHolland Noord
11 Zaanstreek Waterland
12 Kennemerland
13 Amsterdam Amstelland
14 Gooi en Vechtstreek
15 Haaglanden
16 Hollands Midden
17 Rotterdam Rijmond
18 ZuidHolland Zuid
19 Zeeland
20 Midden en West Brabant
21 Bradbant Noord
22 Brabant Zuidoost
23 Limburg Noord
24 Zuid Limburg
25 Flevoland

De wet staat hier:
Wet Veiligheids
Regios

 


Trauma heli's:
De trauma heli"s hebben als roepnaam LifeLiner (LL).
LL1 is Amsterdam, LL2 is Rotterdam, LL3 is Nijmegen,
LL4 is Groningen

De heli's zijn van het merk Eurocopter,
type EC-35 en worden operated door ANWB Medical Air Assistance
 


©2016 zero-meridean OSP
copyleft GFDL:
Zie verantwoording
afkortingen bronnen verantwoording sitemap mail

= nieuwe pagina in een nieuw venster
= nieuwe pagina in hetzelfde venster
= andere paragraaf op deze pagina