Rampen bestrijden
de overheidstaken
de organisatie van de rampenbestrijding:
GRIP
Regionaal Beheersplan Rampenbestrijding
Leidraad Operationele Prestaties : Kwaliteit
of kwantiteit ?
Overheidstaken
De gemeente waarin de ramp plaatsvindt is verantwoordelijk voor de eigen rampenbestrijding, maar in de nieuwe Wet Veiligheidsregio's worden
veel rampenbestrijdingstaken bij zo'n veiligheidsregio ondergebracht. Die taken zijn in hoofdlijnen:
Situatie inschatten / Verkennen van het rampgebied
Het gebied wat getroffen is en waar uitbreiding dreigt moet in kaart gebracht worden. Dat is het rampterrein oftewel: De binnenring.
Daaromheen wordt in cirkels de buitenringen bepaald, waar speciale maatregelen worden ingesteld en wellicht evacuaties gaan plaatsvinden.
Binnen- en buitenring vormen samen het rampgebied.
Er moet ingeschat worden hoeveel slachtoffers er zijn of nog bij kunnen komen.
Er moet worden gekeken naar de directe en lange-termijn risico's voor uitbreiding van het incident en het vrijkomen van gevaarlijke stoffen.
Er moeten worden bepaald hoeveel en welke rampenbestrijdingseenheden er nodig zullen zijn. In een later stadium komt daar de zorg voor aflossing
en verzorging van die eenheden bij.
Aan de hand van deze informatie kunnen de Gemeentelijke Rampenstaf , opgesplitst in een Operationeel Team en een BeleidsTeam,
en het Commando RampTerrein hun beleidsmatige en coördinerende rol gaan vervullen.

Mensen en dieren redden, branden bestrijden
De rampenbestrijdingseenheden krijgen in het rampterrein een inzetvak waarbinnen ze de ramp gaan bestrijden:
Mensen en dieren worden opgespoord en bevrijd. Gewonden worden opgevangen in gewondennesten waar de eerste triage plaatsvindt.
De geredden worden buiten het rampterrein opgevangen en in veiligheid gebracht. Branden worden geblust en de omgeving wordt afgekoeld. Het vrijkomen
van gevaarlijke stoffen wordt tegengegaan en gebouwen worden tegen instorten beveiligd.

Gewonden opvangen en verzorgen
Buiten het rampterrein moeten gewondenverzamelplaatsen, ambulance-opstelplaatsen (de zg. loodsposten en ziekenautostations) en
landingsfaciliteiten voor trauma- en reddingshelicopters komen.
In ziekenhuizen in de omgeving moet extra behandelcapaciteit geregeld worden en er moet een een gewonden-verspreidingsplan worden gemaakt.
Van de gewonden wordt vastgesteld welke medische urgentie hij/zij heeft ( triage), wie het is en waar hij/zij naartoe gebracht wordt.
Een geautomatiseerd SlachtofferVolgSysteem kan de slachtoffers vanaf het gewondennest tot in het ziekenhuis volgen. Daardoor kunnen ziekenhuizen
tevoren inschatten met welke verwondingen ze te maken gaan krijgen. Tijdens het transport kan de ziekenhuiscapaciteit worden herberekend, zodat
inzichtelijk wordt of een ander ziekenhuis wellicht beter geschikt is om het slachtoffer op te vangen. Tevens kan de familie direct geinformeerd
worden over de verblijfplaats van een slachtoffer.
Er dient psychische bijstand te worden geregeld, zowel voor direct betrokkenen als voor de familie en omstanders.

Gebieden ontruimen / mensen en dieren evacueren
De ontruimingszones en het aantal betrokkenen moet worden vastgesteld. Voor hen moeten opvanglokaties en transport geregeld worden. De te evacueren
bevolking moet via het sirenenet en de rampenzenders geinformeerd worden.
Eventueel moet de evacuatie onder politiedwang in gang gezet worden. De mensen moeten worden opgevangen, geregistreerd en van voedsel, kleding
en en slaapplaats worden voorzien. Er moet psychische bijstand geregeld worden.
In een latere fase moet voor financieële steun en vervangende woonruimte gezorgd worden.

Orde handhaven en verkeer regelen
Het rampgebied moet worden afgezet en de toegangen tot het rampterrein moeten bewaakt worden.
Aan- en afvoerroutes en opstelplaatsen voor de hulpdiensten moeten vrijgehouden worden. Voor de opvang van hulpdiensten die niet ter plaatse
bekend zijn moeten er zg. loodsposten worden ingericht, vanwaaruit onder politiebegeleiding het rampgebeid bereikt kan worden.
In een latere fase moeten er omleidingsroutes voor het verkeer worden geregeld.
Plunderingen en massale uitbastingen van paniek, woede of vluchtgedrag moet worden tegengegaan

Nood voedel- en drinkwater-, gas- en lichtvoorzieningen treffen
Het gebied waarbinnen eerste levensbehoeften gedistribueerd moeten worden moet worden vastgesteld. De uitdeelposten moeten worden bepaald en
er moet een registratiesysteem worden ingericht.
De tijdsduur van de distributie moet worden bepaald. De te verstrekken hoeveelheden moeten worden gemaakt en aangevoerd, waarvoor wellicht productie-
en transportmiddelen moeten worden geregeld.

Doden bergen, identificeren en ter aarde bestellen
Als de geredden zijn afgevoerd en het rampterrein enigzins afgekoeld en veilig is, kunnen de overleden slachtoffers worden opgespoord en geborgen.
Op de vindplaats worden foto's gemaakt en identificatiemateriaal veiliggesteld.
Er moet een ruimte worden gevonden waar de lichamen en lichaamsdelen kunnen
worden opgeslagen en geidentificeerd: De morgue of mortuarium. Na registratie en identificatie van de slachtoffers moet hun naaste familie
worden ingelicht en psychisch begeleidt.
Er moet een plan komen voor de wijze waarop de uitvaarten zullen plaatsvinden. De opbaring en ter aarde bestelling zelf moet worden geregeld.

Informatie, voorlichting, verslaglegging en verantwoording
Vanuit het rampterrein moeten er regelmatig sitraps (situatie rapporten) naar de verschillende coördinatie-, commando- en actiecentra
gestuurd worden. Die centra moeten hun activiteiten en genomen besluiten vastleggen.
De gemeente moet omliggende gemeenten, de provincie en eventueel de landelijke overheid informeren over de rampsituatie en de voortgang van de
bestrijding ervan. Ook moet de bevolking (via de pers) geinformeerd worden.
Een justitieel en forensisch onderzoek moet aan het licht brengen of er laakbare of strafbare feiten aan de ramp ten grondslag lagen.
Na het beeindigen van de rampsituatie zal de gemeente verantwoording moeten afleggen over de genomen acties en besluiten. Ook andere overheden
en diensten zullen aan de hand van logboeken rapporten opstellen en eventueel verantwoording afleggen.

De organisatie van de rampenbestrijding
De brandweer
De brandweer is in Nederland aangewezen als de organisatie die de kern van de rampenbestrijding vormt. Zij beschikt daartoe over speciaal op
rampenbestrijding toegespitst materieel, zoals
- Pompen met zeer groot vermogen (10.000 liter per minuut) met grote hoeveelheden slangen van een grote diameter, die dus snel grote hoeveelheden
water aan of af kunnen voeren
- automatisch 'oscillerende' waterkanonnen, die onbemand water over een groot gebied kunnen spuiten
- containers met grote hoeveelheden zwaar reddingsmateriaal voor bevrijding van beknelde slachtoffers
- containers met gaspakken en ontsmettingsgereedschap
- meetapparatuur en meetplannen voor ABC-rampen
- verbindings/commandovoertuigen, die op de plaats van de ramp eigen communicatienetten kunnen opzetten en vergaderfaciliteiten voor het commando
biedt.
Bij grote incidenten worden de gewone autospuiten en hulpverleningsvoertuigen samengevoegd tot brandbestrijdingspelotons en -compagnieën.
Een brandbestrijdingspeloton bestaat in principe uit 4 autospuiten met 1 hulpverleningsvoertuig en een eigen commando-eenheid, totaal een man
of 30.

De Gezondheidsdienst
Wanneer een ambulance als eerste bij een grootschalig incident ter plaatste komt, voert deze bemanning in eerste instantie de medische coördinatie
uit. Daartoe is elke ambulance uitgerust met een groen zwaailicht en zal ook niet gebruikt worden voor gewondentransport. Vanuit de Centraal
Post Ambulancevervoer (CPA, ook wel MeldKamer Ambulance MKA of de Gemeenschappelijke MeldKamer GMK) komt dan, indien nodig, versterking in de
vorm van een Commando-voertuig met een Medisch Leider RampTerrein, die deze taak van de ambulancebemanning overneemt. Inzet van extra ambulances
vanuit andere delen van Nederland kunnen vanuit de Landelijke Meldkamer Ambulance Zorg worden gecoördineerd.
De Gezondheidsdiensten kunnen in rampensituaties de Geneeskundige Combinaties inzetten. Een complete Geneeskundige Combinatie bestaat uit 2 AMBUteams (AMBUlanceverpleegkundige
met chauffeur), een SIGMA (Snel Inzetbare Groep voor Medische Assistentie, bemand door Rode Kruis vrijwilligers) en een Mobiel Medisch
Team ('trauma-team'). Voor de AMBU- en SIGMA-teams zijn aparte materiaalvoeruigen en -containers beschikbaar, die extra voorraden eerstehulp-sets,
brancards en tenten voor de vorming van gewondennesten bevatten. Vanuit de gewondennesten worden de slachtoffers overgebracht naar gewondenverzamelplaatsen
voor eerste hulp en vandaar per ambulance naar een aantal ziekenhuizen vervoerd. De ziekenhuizen wordt gealarmeerd door de CPA's.
Vanuit speciaal daartoe aangewezen ziekenhuizen (de Traumacentra) kunnen Mobiele Medische Teams worden ingezet. Een MMT bestaat uit een piloot/chauffeur,
een arts/anesthesist en een trauma-verpleegkundige.
Het Calamiteiten Hospitaal - onderdeel van het Universitair Medisch Centrum Utrecht - is een "slapend" ziekenhuis, dat snel kan worden
geactiveerd om tijdens rampen en in oorlogssituaties extra ziekenhuis-capaciteit te bieden of besmette patiënten in quarantaine te behandelen.
Het ziekenhuis bestaat uit een intensive care afdeling (12 bedden), een medium/low care afdeling (50 bedden), twee low care afdelingen (totaal
200 bedden), vier isolatieboxen, drie operatiekamers met recovery, een röntgenafdeling en een triage- en behandelruimte (35 bedden). Het
Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum van het RIVM maakt onderdeel uit van het Calamiteiten Hospitaal, zodat bij slachtoffers met Atomaire,
Biologische of Chemische (ABC-)besmettingen een snelle diagnose mogelijk is.

De politie
De politieregio's kunnen bij rampen een beroep doen op specialistisch materieel van het Korps Landelijke politieDiensten, bij voorbeeld helicopters,
schepen, verbindingswagens met videoapparatuur en afzetmateriaal. Voor de afzetting van het rampterrein zijn pelotons Mobiele Eenheid inzetbaar.
Motorrijders zorgen voor de begeleiding van ambulances naar ziekenhuizen. Ook zorgen ze voor de opvang van toestromende hulpverleningsvoertuigen
op loodsposten om ze vandaaruit naar het rampterrein te begeleiden.
Middels de heli kan ook het brandweercommando een overzicht van het rampterrein vanuit de lucht krijgen.
Het Rampen Identificatie Team is het politie-onderdeel dat het meest zichtbaar is op het rampterrein. Dit team, opgericht na de Tenerife-vliegramp,
heeft een enorme expertise opgebouwd in het opsporen en identificeren van stoffelijke resten. Het team is uitgebreid met een Team Postmortale
Zorg, dat na identificatie de zorg voor de overledenen en begeleiding van de nabestaanden overneemt.

Andere diensten
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken houdt een eigen voorraad rampenbestrijdingsmateriaal aan, waar de lokale overheden uit kunnen putten
als de eigen voorraden op zijn, of voor zeer uitzonderlijk materiaal zoals drinkwater producerende machines en zandzakken.
Het Ministerie van Justitie is verantwoordelijk voor het justitieel onderzoek naar de oorzaak van de ramp. Een Officier van Justitie maakt deel
uit van het BeleidsTeam.
De gang van zaken tijdens de rampenbestrijding wordt in Processen-Verbaal vastgelegd. Tijdens het bergen en identificeren van de slachtoffers
wordt zoveel mogelijk forensisch materiaal veiliggesteld. Zodra de hulpdiensten het rampterrein veilig hebben gemaakt kan het sporenonderzoek
van start gaan. Een rechercheteam zal door het verhoren van direct betrokkenen trachten de omstandigheden die aan ramp voorafgingen in beeld
te brengen. Aan de hand van die gegevens kan het Ministerie van Justitie een strafrechtelijk onderzoek beginnen als blijkt dat laakbare of stafbare
feiten de aanleiding tot de ramp vormden (zoals bijvoorbeeld in Volendam en Enschede).
In de rampenbestrijding is ook een rol weggelegd voor andere diensten, instanties en bedrijven:
- De luchthavens met hun speciale zware crashtenders bij vliegtuigrampen (maar soms ook bij industrierampen in de buurt van luchthavens).
- De spoorwegen met hun eigen specialistisch hulpverleningsmateriaal bij spoorwegrampen.
- De kustwacht en kustreddingsmaatschappijen bij rampen in de kustwateren.
- De reddingsbrigades met een vloot van ondiepe reddingsvletten voor overstromingsrampen.
- Reddingshondenteams, met speciaal op mensen- en lijkengeur getrainde zoekhonden.
- Defensie voor het leveren van extra mankracht en zwaar materieel, helicopters en schepen. Voor grootscheepse bosbrandbestrijding kunnen
de zware transportheli's waterzakken boven het brandterrein leegstorten.
- Rijkswaterstaat bij verkeersrampen en milieurampen te water (onder andere met oilbooms en chemische bestrijdingsmiddelen).
- Dierenambulance's voor de opvang en verzorging van (huis)dieren.
- Nutsbedrijven voor het leveren van drinkwater, gas en licht.
- Telecommunicatie bedrijven voor het leggen van (nood)-communicatieverbindingen.
- Hoogheemraadschappen bij overstromingen en milieurampen.
- Busmaatschappijen voor het leveren van bussen bij evacuaties.
- Particuliere bedrijven voor het leveren van specialistisch materieel (zware pompen, draglines, kranen, shovels) en aanvullende voorraden
(bijvoorbeeld zandzakken).
- Bouwkundige specialisten voor advies over sloop- en herstelwerkzaamheden aan gebouwen.
- Het BevolkingsRegister voor het registreren van slachtoffers
- De RijksDienst voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) voor specifek onderzoek naar verontreinigingen en besmettingen
- De Gemeentelijke Sociale Dienst voor voedsel- en kledingvoorzieningen en financieële steun
- Sporthallen, evenementenzalen, scholen en bejaardentehuizen voor de opvang van evacués.

Bestuurlijke organisatie
De Wet Veiligheidsregio's beschrijft de bestuurlijke organisatie:
Tijdens een ramp heeft de burgemeester van de betreffende gemeente het opperbevel. Bij gemeentegrens-overschrijdende rampen neemt het hoofd van
veiligheidsregio die taak over. Dat is meestal de burgemeester van de hoofdplaats van de regio.
Daarbij wordt hij ondersteund door 2 teams:
Het BeleidsTeam richt zich op het maken van beleid, vastlegging en priorisering van besluiten, contacten met andere overheidsorganen en
voorlichting aan de bevolking en de pers. Een Beleids Team kan op gemeentelijk en op regionaal niveau optreden. Dat is afhankelijk van de uitstraling
die een ramp kan hebben op de omliggende gemeenten (zie GRIP).
Het Operationeel Team vertaalt besluiten in opdrachten voor de hulpverleners ter plaatse en regelt de logistieke zaken. Het Operationeel
Team is altijd een regionaal team.
Wanneer een ramp gemeentegrenzen overschrijdt kan de Commissaris van de Koningin (CdK) van de betreffende provincie het opperbevel overnemen
en burgemeesters beleidsaanwijzingen geven. Uiteindelijk kan de Minister van Binnenlandse Zaken de diverse CdK's aanwijzingen geven als de ramp
een nog grotere omvang heeft (zie GRIP).
De operationele leiding is in handen van de Commandant van de brandweer, die daarmee in feite ook de andere operationele diensten zou aansturen.
In de praktijk zijn er diverse niveaus van overleg waar de hulpverleners elkaar ontmoeten:
Het motorkap overleg is het overleg dat het eerst en het dichtst bij de plaats van het incident plaatsvindt. De bevelvoerder van het
eerst aankomende voertuig, de eerste ambulancebemanning en de eerste politieagenten ter plaatse bepalen hier in eerste instantie de strategie.
Dit overleg wordt bij het eerste opschalen omgezet in het CoördinatieTeam Plaats Incident (CTPI) onder commando van de dienstdoende
Regionaal Officier van Dienst (OvD) van de brandweer.
Bij verdere opschaling gaat het CTPI op in het COmmando Plaats Incident (COPI). Het commando wordt nu, afhankelijk van het soort incident,
gevoerd door een Hoofd Officier van Dienst (HOvD) van één van de hulpdiensten. Als onduidelijk wie de leiding moet nemen, is dat
per definitie altijd de brandweer.
Bij grote rampen wordt eerst het rampterrein vastgesteld: Dit is de plaats van de incident, de directe omgeving waar uitbreiding mogelijk is,
en het "effectgebied"
waar de ramp ernstige schade door brokstukken, water of hitte heeft veroorzaakt of giftige stoffen zijn terecht gekomen.
Binnen het rampterrein worden zelfstandig opererende teams ingezet in aparte inzetvakken, elk met hun eigen commando-lijn: COmmando
RampTerrein (CoRT) .
De politie zal een Commando Omgeving Rampterrein (ComRT) inrichten. Dit commando richt zich op de ordehandhaving, verkeersmaatregelen
en eventuele evacuaties in het gebied rondom het rampterrein. Meestal worden die gebieden in cirkels ingedeeld. Binnen elke cirkel gelden dan
specifieke maatregelen.
Iedere operationele dienst zal ook een eigen commandopost of actiecentrum inrichten in of bij hun meldkamer of kantoren. Van hieruit worden
per dienst de zaken gecoördineerd. Deze Operationele Teams verzorgen de uitvoering van opdrachten vanuit de Gemeentelijke RampenStaf en
de situatie rapporten (sitraps) richting GRS.
Door de regionalisering van politie, brandweer en gezondheidszorg bevinden de operationele structuren zich in grotere verbanden dan de gemeente
waarin de ramp heeft plaatsgevonden, terwijl de burgemeester eigenlijk als hoofd van de Gemeentelijke RampenStaf en het Gemeentelijk BeleidsTeam
de directe eindverantwoordelijkheid heeft.
De ervaring leert dat met name kleinere gemeenten veel problemen hebben om hun rol in de bestuurlijke rampenorganisatie goed te spelen, zeker
als een grote, bestuurskrachtige buurgemeente een groot deel van de operationele bijstand levert (bijvoorbeeld de Cindu-ramp in Uithoorn, 1992).
Er gaan stemmen op om ook voor de bestuurlijke afhandeling van rampen speciaal getrainde teams samen te stellen, die bij een ramp de gemeentelijke
bestuurders te hulp kunnen komen. In toenemende mate bundelen gemeenten hun krachten al door de vorming van intergemeentelijke of regionale Crisis
Management Teams die dezelfde structuur volgen als een GRS, bijvoorbeeld de 25 gemeenten in de provincie Groningen. 
Burgerhulp
In de overzichtelijke theorie van de rampenbestrijding zijn er 4 primaire rollen die mensen tijdens en na een ramp kunnen vervullen: Zij die
hulp behoeven, zij die hulp verlenen, pers en omstanders. Deze rollen hebben in de rampenplannen een duidelijke plaats: Binnen de met rood-wit
lint afgezette Plaats Incident, in de cleane ruimten van de ziekenhuizen en opvangcentra, in de perscentra en thuis voor de TV.
In de praktijk lopen de rollen tijdens een ramp door elkaar heen:
Zij die hulp behoeven zullen vaak ook als hulpverlener optreden indien ze daar nog toe in staat zijn. Zeker in de eerste minuten na de ramp is
er geen andere hulp te verwachten dan van degenen die zich in het hart van het rampgebied bevinden. Eénmaal bezig met hulp te bieden,
zal die burger niet snel genegen zijn zich door de overheidshulpverleners af te laten voeren naar een opvangcentrum, zonder te weten wat er
met huis, haard en dierbaren aan de hand is of de mogelijkheid te hebben die zelf te beschermen en te helpen.
Ook de professionele hulpverleners kunnen tijdens de rampenbestrijding op het rampterrein in de problemen raken en opeens afhankelijk worden
van de burgerhulp die daar toevallig voorhanden is.
De omstanders - de niet direct getroffenen - willen graag helpen, zeker als zichtbaar is dat de hulpdiensten overbelast zijn en handen tekort
komen. Zo werden tijdens de cafébrand in Volendam op 1 januari 2001 tientallen gewonden door omstanders huizen binnengebracht en onder
de douche gezet. In de visie van de overheid echter hadden zij hun passieve, toekijkende rol achter het rood-witte afzetlint moeten spelen, of
nog liever veilig thuis voor de TV, kijkend naar de rampenzender en braaf de aanwijzingen van de overheid opvolgend.
Gaandeweg ontstaat er meer besef bij de overheid dat de burgers in plaats van lijdzaam op afstand gehouden te worden, tijdens rampen best wel
gevraagd kunnen worden om mee te helpen. De rampenbestrijdingsplannen zouden die burgerhulp een plek moeten geven, en de burgers zouden gerichte
informatie kunnen krijgen over de manier waarop ze kunnen helpen.
Het zou goed zijn als er tijdens een ramp van overheidszijde ruimte kan worden gegeven om spontane burgerhulp te accepteren en effectief in te
zetten, in plaats van deze burgers al tegenspartelend af te voeren in een ME busje.

Gecoördineerde Regionale Incidentenbestrijdings Procedure (GRIP)
Met de oprichting van een GRIP heeft de Regio Rijnmond een aanzet gegeven tot een gecoördineerde aanpak van grootschalige incidenten over
de diverse diensten heen. Een dergelijke procedure wordt dus niet alleen bij rampen gebruikt.
Een GRIP loopt op van fase 1 tot en met fase 4, waarbij vanaf GRIP-3 in feite een volledig opgetuigde rampenstaf actief is. In deze GRIP procedures
zijn te voren afspraken vastgelegd op welke wijze de bestuurlijke en operationele verantwoordelijkheid tijdens een incident geregeld is.
Het toepassen van een GRIP staat op zich los van de omvang van een incident, maar een ramp speelt zich al snel op GRIP-3 niveau af. Er hoeft
niet noodzakelijkerwijs stapsgewijs door de GRIP niveaus opgeschaald te worden; er kan dus ook direct een GRIP-2, -3 of -4 worden ingezet.
Als het sirenenet gebruikt wordt om de bevolking te waarschuwen, is er altijd sprake van GRIP-3.
GRIP 1:
Lokale inzet met regionale bijstand.
CoördinatieTeam of COmmando Plaats Incident actief.
GRIP 2:
Regionale inzet.
COmmando Plaats Incident en Operationeel Team actief.
GRIP 3:
Regionale inzet met bijstand van andere regio's.
COmmando Plaats Incident, Operationeel Team en Gemeentelijk Beleids Team actief. Rampenverklaring, bestuurlijke verantwoordelijkheid bij de Burgemeester.
Commissaris van de Koningin en Minister van Binnenlandse Zaken geïnformeerd.
GRIP 4:
Inzet van diverse regio's, eventueel landelijke bijstand.
COmmando Plaats Incident, Operationeel Team en Regionaal Beleids Team actief, zo nodig aangevuld met Provinciaal Commando Centrum en Nationaal
Commando Centrum.
Rampenverklaring, bestuurlijke verantwoordelijkheid bij de Burgemeester.
Commissaris van de Koningin en Minister van Binnenlandse Zaken kunnen (dwingende) aanwijzingen aan de Burgemeester geven.

© Grip brochure Brandweer Amsterdam
De procedures zijn in grote lijnen in alle veiligheidsregio's hetzelfde, maar de exacte invulling kan verschillen. Een animatie
van het Ministerie van Binnenlandse Zaken geeft algemene uitleg over de verschillende GRIP fases.

Regionaal Beheersplan Rampenbestrijding
Een Regionaal Beheersplan Rampenbestrijding beschrijft het beleid en de organisatie van de rampenstrijding binnen een brandweer regio. In het
plan worden ook de overige hulpdiensten opgenomen, hoewel hun regio's niet altijd overéén komen met die van de brandweer.
Het plan omvat een periode van 4 jaar en moet na die periode weer opnieuw vastgesteld worden.
Er wordt in beschreven welke knelpunten er binnen de regio bestaan en hoe die zullen worden opgelost. Ook worden de aanschaf van middelen, opleidings-
en oefentrajecten beschreven.

Leidraad Operationele Prestaties: Kwaliteit of kwantiteit ?
In Nederland is de kwaliteit van de zwaailichtensector de afgelopen decennia fors toegenomen: Ambulances zijn rijdende traumakamers geworden,
de garage-eigenaar als ambulancebroeder is vervangen door een hooggeschoolde traumaverpleegkundige, de vrijwillige brandweerman is van spuitvoerder
omgeschoold tot multi-inzetbare hulpverlener. Zijn autospuit bevat behalve water en slangen een groot arsenaal aan technisch hulpverlenings materiaal.
De politie-agent is van boevenvanger naar sociaal-maatschappelijke crisismanager uitgegroeid.
Maar bij grootschalige incidenten en rampen zal de kwaliteit meestal ondergeschikt gemaakt worden aan de kwantiteit:
In de rijdende traumakamer kan 1 patiënt optimaal behandeld worden, maar dat is minder relevant als er honderden op transport liggen te
wachten. Dan voldoet een stadsbus veel beter.
En een autospuit met zijn technisch gereedschap en hogedruk nevelspuit is van weinig waarde als er enorme hoeveelheden water moeten worden aan
-of afgevoerd. Dan gaat het om groot pompvermogen met dikke slangen.
De Leidraad
Operationele Prestaties van het Ministerie van Binnenlandse Zaken geeft per ramptype en schaalgrootte (zie daarvoor de leidraad
Maatramp ) aan welke "inzetbehoefte" er zal zijn.
Aan de hand daarvan kan op regionaal niveau worden gekeken waar hiaten zullen ontstaan. Die hiaten kunnen worden ingevuld:
- door meer mensen en materieel operationeel te hebben ; dat kost geld en is dus een bestuurlijke beslissing
- of door op een bepaald moment tijdens de ramp tijdelijk terug te schakelen naar een lager kwaliteitsniveau ; dat is een operationele beslissing
die tijdens een incident moet worden genomen, maar waar de RampenStaf wel op voorbereid kan zijn.
Bijvoorbeeld:
Als er binnen 1 uur maximaal 15 ambulances beschikbaar kunnen komen kun je dus 15 gewonden in dat eerste "gouden" uur met hoog-kwalitatieve
zorg afvoeren naar een ziekenhuis. Als je dat te weinig vindt kun je besluiten om geld beschikbaar te maken voor meer ambulances.
Je kunt ook tijdens een incident met meer dan 15 gewonden beslissen om deze patiënten enige tijd in gewondennesten op te vangen of met een
stadsbus naar een ziekenhuis de rijden. Dan is de zorg tijdelijk van een lagere kwaliteit.

|