Overzicht van rampen:
1 februari 1953: Watersnoodramp Zeeland
In de avond van 31 januari 1953 trekt een zeer zware storm over de Noordzee richting Nederland en stuwt het zeewater hoog op tegen de kust.
Die nacht wordt het ook springvloed. De zeedijken zijn slecht onderhouden en te laag. 67 dijken in Zeeland en Zuidholland breken op 89 plaatsen
door.
Keywords: watersnood watersnoodramp dijkdoorbraak overstroming overstromingsramp springvloed februarinacht zeeland
de prelude
het verloop
de rampbestrijding
de oorzaken
de lessen
vreemd?
bronnen
De prelude:
In 1906 en in 1916 wordt Nederland getroffen door een combinatie van hoog water en storm. Overal langs de kusten van Noord- en Zuiderzee breken
dijken door en komen polders onder water te staan. De zeedijken worden hersteld en hier en daar verhoogd maar een structurele aanpak en geld
daarvoor blijven uit.
Pas in 1939 wordt een Stormvloedkommissie ingesteld met als taak te onderzoeken tot op welke vloedhoogtes de dijken bescherming moeten bieden.
Maar dan breekt de oorlog uit. Her en der worden dijken uitgegraven voor geschutsopstellingen en bunkers. Aan het eind van de oorlog ligt het
oorlogsfront in Zeeland en worden dijken kapotgebombardeerd of doorgestoken.
Na de oorlog wordt de wederopbouw van Nederland voortvarend ter hand genomen, maar voor de provisorisch herstelde Zeeuwse dijken is voorlopig
geen tijd en geld beschikbaar. Als ook de Koude Oorlog nog een aanslag op het defensiebudget pleegt is er al helemaal nauwelijks geld voor de
kustverdediging over.
Toch is het dan al bijna heel erg mis gegaan: Op 7 april 1943 bereikt het water tijdens een zware storm weliswaar niet de hoogtes uit 1906, maar
het komt hoog genoeg om op veel plekken over de dijk te lopen. De dijkgraven kunnen constateren dat er tenminste 26 kilometer zeedijk is waar
de vloedhoogte over de dijk lag. Rijks- en Provinciale WaterStaat starten een onderzoek. In 1946 komt een lijvig rapport uit waarin de
475 kilometer zeedijk minutieus onder de loep genomen is. Het rapport noemt een groot aantal kritieke locaties, waar de dijken meer dan een meter
te laag zijn voor de vloedhoogtes van 1943.
En dat terwijl de Stormvloedkommissie al in 1940 rapporteert dat er per eeuw 20% kans is op vloedhoogtes van 4 meter boven N.A.P. (zie NAPschaal)
, ver boven de hoogst gemeten waterstand ooit.
De Stormvloedwaarschuwingsdienst is een onderdeel van het KNMI in de Bilt. Wanneer de weersverwachting en waterstanden daartoe aanleiding geven
vaardigt de dienst een hoogwater waarschuwing uit. Deze waarschuwing wordt per telegram bezorgd bij de abonnees op deze dienst. Polderschappen,
waterstaten en burgemeesters kunnen geabonneerd zijn, maar vanwege de kosten is lang niet iedereen die zich met de dijkbewaking bezighoudt ook
abonnee. De waarschuwingen worden ook op de radio uitgezonden. Er zijn 2 soorten waarschuwingen: Voor "flink hoog water" en voor "gevaarlijk
hoog water". De waarschuwing voor "gevaarlijk hoog water" is dan al in geen jaren meer gegeven.

Het verloop
In de loop van vrijdag 30 januari 1953 ontwikkelt zich een depressie ten westen van IJsland. Die nacht vormt zich achter die depressie een zeer
zware storm, die in Noord-Schotland tot orkaankracht toeneemt. De storm trekt over Noordzee richting Nederland en stuwt het water op in de trechter
van de zuidelijke Noordzee. Het KNMI schat de gevaren van de komende storm goed in en geeft op zaterdagochtend om 11 uur een stormvloedwaarschuwing
voor "flink hoog water" voor Zuidwest Nederland.
Zaterdagmiddag tussen 15.30 en 17.00 uur is het hoog water. De storm is dan nog niet op zijn hoogtepunt, maar de vloed zorgt voor spectaculaire
golven tegen de zeedijken.
Daar waar wegen door de dijken lopen (de "coupures") moeten vloedplanken worden geplaats om het water tegen te houden.

Bron: Het Vrije Volk februari 1953
Intussen maakt men zich bij het KNMI ernstig zorgen over de weersontwikkeling. Voor die zaterdagavond wordt een zeer zware storm verwacht en
die nacht zal het springvloed worden in de Zeeuwse en Zuidhollandse wateren. Om 17.45 uur geeft de Stormvloedwaarschuwingsdienst weer een telegram
uit, dat om 18.00 uur na het weersbericht op de radio wordt uitgezonden:
"Boven het noordelijke en westelijke deel van de Noordzee woedt een zware storm tussen noordwest en noord. Het stormveld breidt zich
verder uit. Verwacht mag worden, dat de storm de gehele nacht zal voortduren en in verband hiermede werden vanmiddag om half zes de groepen
Rotterdam, Willemstad en Bergen op Zoom gewaarschuwd voor gevaarlijk hoog water".
De bewoordingen zijn nogal vaag, maar de abonnees op het telegram zouden moeten weten dat hen de komende periode een zeldzaam gevaarlijke situatie
te wachten staat. Het is echter zaterdagavond: Veel bureaus van Waterstaten en Polderschappen zijn tot maandag verlaten, het telegram bereikt
die avond slechts weinigen. En op Schouwen-Duiveland, Tholen, Goeree-Overflakkee, Sint Philipsland en Beveland zijn helemaal geen abonnees. Ook
bij de Marine Officier Belast met Hulp bij Watersnood zal geen telegram terecht komen: Men heeft geen weet van het bestaan ervan.
Het KNMI heeft geen wetenschap van de slechte staat van de dijken, noch van de uiterst bedreigende situatie die in soortgelijke omstandigheden
al in 1943 bijna tot een ramp hadden geleid, maar is wel zeer bezorgd over de situatie in de komende nacht. Vanuit De Bilt worden vergeefse pogingen
ondernomen de enige radiozender die nacht in de lucht te houden opdat men de bevolking van de ontwikkelingen op de hoogte kan blijven houden.
Maar er is niemand te bereiken die zo'n beslissing mag nemen.
Slechts enkele gemeenten en waterschappen reageren wel op het telegram en de aanwijzingen van hun dijkbewakers en sluiswachters: Het was zaterdagavond
eb, maar het water stond op vloedhoogte. Het moest die nacht wel mis gaan en men ging over tot evacuatie. In plaatsen als Willemstad en Ooltensplaat
worden zo vele levens gered.
In de meeste polders, steden en dorpen maakt men zich geen zorgen. De dijken hadden wel vaker een zware storm doorstaan en men geloofde niet
dat ze zouden kunnen bezwijken.
Kort voor middernacht bereikt de storm in het Zuidwesten van Nederland zijn hoogtepunt. Met windstoten tot 144 kilometer per uur woedt er een
zeer zware storm.
Het opkomend tij bereikt in Vlissingen die eerste februari 1953 om 3.24 uur de hoogst gemeten stand ooit: Het komt tot 4m 55 boven N.A.P.
De storm en de springvloed zijn teveel voor lage, te smalle en door ratten ondermijnde zeedijken. Niet alleen slaan de golven over de dijken,
maar op veel plaatsen wordt de aarde onderuit de dijk geperst tot er enorme stroomgaten ontstaan. Tussen 1.30 uur en 5.00 uur breken 67 dijken
door. Door 89 stroomgaten perst het ijskoude zeewater zich de polders in. In korte tijd staat er 2 tot 4 meter water in de polders.
Mensen en dieren worden volkomen verrast door het snel stijgende water. Sterke stromingen sleuren wrakhout mee en beuken de huizen kapot. Wie
in het water terecht komt, is ten dode opgeschreven. Het is een paar graden boven nul, er staat een zware storm en het sneeuwt.
Men vlucht naar de zolders en daken of klampt zich vast in bomen en palen, in afwachting van redding en het laagtij. Maar ook al trekt het water
tijdens eb wat terug, het blijft metershoog op het land staan. De vloed van zondagmiddag doet nog meer huizen instorten. En de redding komt ook
niet opdagen...
In totaal werden 41 kilometer dijk weggeslagen en nog eens 50 kilometer zwaar beschadigd
De Zeeuwse eilanden Schouwen-Duiveland, Tholen, Sint Philipsland, het Zuidhollandse Goeree-Overflakkee, Voorne-Putten, de Hoeksche Waard, de
Alblasserwaard, de Biesbosch en delen van West Noord-Brabant aan het Hollands Diep en de Volkerak verdwenen grotendeels in de golven.

1796 mensen vonden de dood, waaronder 1 pasgeboren baby die nog niet in het bevolkingsregister was ingeschreven. Later overleden nog 40 mensen
aan de gevolgen van kou en uitputting. 152 slachtoffers werden nooit meer teruggevonden.
47.000 woningen werden verwoest of beschadigd. Honderdduizenden dieren komen om.
Ruim 100.000 mensen werden geëvacueerd, van wie zo'n 72.500 voor langere tijd.
In diezelfde nacht speelt zich op het Noord-Hollandse eiland Texel een vergeten rampje af, waar 6 doden vallen bij een dijkdoorbraak in polder
de Eendracht.

De rampenbestrijding
De hulpdiensten waren, zoals alles in het naoorlogse Nederland, nog in opbouw. Brandweerauto's en ziekenwagens waren uit de Amerikaanse legervoorraden
overgenomen en nauwelijks toegerust voor de dagelijkse hulpverlening. Iedere gemeente had zijn eigen brandweerkorps en veel samenwerking was
er niet. De ziekenauto stond bij de plaatselijke garage.
De burgemeesters en dijkgraven, die de leiding van het reddingswerk op zich zouden moeten nemen, waren daar helemaal niet voor opgeleid. Sommigen
raakten geheel van de kaart, niet in staat om ook maar de eenvoudigste beslissing te nemen. Zo werd in sommige gemeenten zelfs de brandweer niet
gealarmeerd of de noodklok geluid.
Van enige overkoepelende rampenbestrijding was geen sprake. Het ene dorp wist niet wat er in het andere speelde, bij de Provincie en in Den Haag
werd die nacht nauwelijks iets ondernomen.
De rampenbestrijding dreef die eerste tijd vooral op particulier initiatief, mensen die zelf met boten door het getroffen gebied gingen en slachtoffers
uit hun benarde positie bevrijdden. Uit allerlei vissersplaatsen stoomde de vissersvloot op naar de Zeeuwse en Zuidhollandse wateren.
Van veel plaatsen op de geïsoleerde eilanden werd die zondag helemaal niets vernomen. De telefoonverbindingen waren afgesneden, het gebied
was onbereikbaar. De kranten die zondag 1 februari met extra edities uitkwamen, spraken van grote noodsituaties in plaatsen die achteraf maar
licht getroffen waren. De enorme omvang van de ramp bleef lang verborgen. Pas toen een groep zendamateurs een provisorisch radionetwerk oprichtten
bereikten de alarmerende berichten uit Schouwen Duiveland en Goeree-Overflakkee de buitenwereld.
De weinige informatie kwam slechts mondjesmaat binnen op de krantenredacties en in Hilversum. Ook de centrale overheid raakte slechts langzaam
overtuigd van de omvang van de ramp. Bovendien was het zondag, de dag waarop Nederland ter kerke ging. Er was weinig animo voor het opstarten
van grootscheepse reddingsoperaties. Dat moest maar wachten tot maandag...
Het leger, de marine en de luchtmacht waren in die na-oorlogse jaren zelf nog maar amper voorzien van enige uitrusting en konden - eenmaal op
de been gebracht - slechts met 1 helicopter, Amerikaanse legerdump-trucks en -bootjes hulp gaan bieden. Die ene helicopter kon die zondag wegens
de harde wind niet vliegen. De marine stuurde twee patrouille-boten die de woeste zeegang in de zware storm niet aan konden.
Pas in de loop van de week, nadat de buurlanden kwamen bijspringen, kwam de hulpverlening goed op gang.. Met helicopters en landingsvaartuigen
werd de bevolking geëvacueerd.

Bron: Het Vrije Volk februari 1953
Vrijwel direct begon men met het dichten van de stroomgaten en het leegpompen van de polders, waardoor veel land in de eerste weken na de ramp
al weer droogviel. De laatste overstroomde polder was in december 1953 weer droog. De boeren konden hun bestaan weer gaan opbouwen.
Het trage begin van de hulpverlening werd later ruimschoots gecompenseerd door de grote hoeveelheden geld en goederen die men in Nederland en
de rest van de wereld aan de getroffenen schonk. Dat hierdoor later een bovengemiddelde welvaart in het weer drooggemaakte Zeeuwse land viel
te bespeuren, leidde wel tot scheve ogen.

De oorzaken
De combinatie van springvloed met een zeer zware storm uit het noord-noordwesten is zeer zeldzaam, maar heel gevaarlijk. De waterhoogten ware
nog nooit zo hoog geweest, maar de Stormvloedkommissie had al in 1940 voorspeld dat bij Hoek van Holland waterhoogten tot 4m boven N.A.P. konden
voorkomen. In de nacht van 1 februari kwam het water daar tot 3m 85.
De polderschappen, Rijks- en Provinciale WaterStaten waren op de hoogte van de slechte conditie van de dijken, maar er was geen geld voor. Eerst
was daar de na-oorlogse wederopbouw, en vervolgens was het de Koude Oorlog die al het overheidsgeld opslokte. Bovendien waren veel bestuurders
in hun hart niet overtuigd van de noodzaak tot ophogen: Men had een heilig vertrouwen in de eigen dijkwerken.
Ook in de pers was het bekend dat de hoogte van de dijken een serieuze bedreiging voor de bevolking vormde. Medio 1952 wendde een ingenieur
van RijksWaterStaat zich tot Elseviers Weekblad met alarmerende berichten. De hoofdredactie besloot het nieuws niet te plaatsen om geen paniek
onder de bevolking te zaaien en daardoor de wederopbouw te frustreren. Bovendien stond het gezag van de staat nog in hoog aanzien.
Dat overheden op tal van punten tekort was geschoten, werd gewoon als feit in de krant vermeld. Al op 1 februari berichtte Het Vrije Volk dat
de overheid van de slechte staat van de dijken op de hoogte was, maar er werd geen kritische noot aan gewijd. Later die week prees Het Vrije
Volk de regering voor haar daadkrachtig optreden en vond het geen tijd voor vragen over de oorzaak en de rampenbestrijding.
Toch kwam de ministerraad die zondag niet echt tot veel daadkracht. Zo werd buitenlandse hulp pas aan het eind van de zondag ingeroepen, toen
er al de hele dag aanvragen om boten en helicopters binnenkwamen.
Het was in die jaren en zeker in het Zeeuwse niet gebruikelijk een mogelijk falen van de overheid aan de orde te stellen. De ramp werd vooral
aan Gods hand toegeschreven: "Wie zal keren de hand des Heren", verklaarde de verantwoordelijke Minister van Verkeer en Waterstaat
Algera in de Tweede Kamer.
Een roep om een Parlementaire Enquête werd in de kiem gesmoord. CPN kamerlid Henk Gortzak, die kritische kamervragen stelde, werd door
vriend en vijand neergesabeld: In tijden van nood moest men helpen en geen vragen stellen. Het wederopbouwwerk werd voortvarend aangepakt. Opvang
van nabestaanden en ruimte voor rouwverwerking was er niet.

De lessen
Al olp 18 februari 1953 presenteerde Minster van Verkeer en Waterstaat Algera een "Delta-commissie", die met het later zo beroemde
Delta-plan op de proppen komt. Het is een technologisch vernuftig plan en de uitvoering ervan zal 25 jaar in beslag nemen. Al die tijd blijft
Nederland kwetsbaar voor een nieuwe stormvloed.
De stormwaarschuwingsdienst van het KNMI gaat niet alleen de te verwachten hoogwaterstanden doorgeven, maar draagt via de radio ook de waterschappen
op tot actie te komen:
Het begrip "beperkte dijkbewaking"
doet zijn intrede in het spraakgebruik. Als na de radionieuwsdienst
"uitgebreide dijkbewaking" wordt afgekondigd, ziet luisterend Nederland in gedachten een leger stoere mannen bij nacht en ontij schouder
aan schouder op de dijken staan, beducht op ieder gevaar.
Inmiddels zijn de zeearmen afgesloten en de dijken allemaal op deltahoogte gebracht. De dijken worden bewaakt en gecontroleerd. Zelfs de rivierdijken
worden opgehoogd. Technische zeer geavanceerde en zeer dure oplossingen zoals de Oosterschelde dam, de scharnierende afsluiting van de Waterweg
zorgen voor de veiligheid terwijl ook milieu en economie niet in het gedrang komen. Sommigen zijn van mening dat je ook kunt overdrijven.
De huidige weercomputers kunnen nu een zware storm drie tot vier dagen tevoren voorspellen. 48 uur voor de storm kan precies worden bepaald
hoe hard het waar gaat waaien. Ook de exacte waterhoogtes kunnen worden tevoren precies worden berekend.
De bevolking kan voor gevaarlijke weersomstandigheden worden gewaarschuwd met een weeralarm.
Maar het weeralarm is al een aantal malen gegeven zonder dat het voorspelde extreme weer de samenleving daadwerkelijk ontwrichtte. Hoewel voorspellen
altijd moeilijk blijft, en een gewaarschuwd mens voor twee telt, lijkt het middel nu erger te worden dan de kwaal:
Niet alleen zijn er nu weeralarmen in allerlei gradaties, maar geeft RijksWaterStaat ook Verkeersalarmen af bij te verwachten "verkeers-infarcten" en
geven de Spoorwegen "Negatieve Reisadviezen" als ze denken dat de treinenniet meer overal kunnen rijden.
Ook het sirene-net dat de brandweer bij rampen zal gebruiken om de bevolking te waarschuwen krijgt steeds minder een gezaghebbende rol, nu de
sirenes ook af en toe afgaan bij minuscule incidenten: Na een lekkage van salpeterzuur in het Friese Dronrijp gingen in 2009 in de hele provincie
Friesland de sirenes af. Een foutje, en gelukkig trok niet direct de hele Friese bevolking zich onder de keldertrap terug met het noodpakket,
maar we mogen niet verwachten dat we met deze overdaad van waarschuwingen wel in staat zullen zijn te doen wat in de februari-nacht van 1953
niet mogelijk bleek: Iedereen tijdig doordringen van de ernst van de situatie en massale evacuatie en (zelf-)redding op gang brengen.
Al die alarmen hebben anno 2010 niet meer effect op de bevolking dan de waarschuwingen voor "gevaarlijk hoog water" in 1953.
In de Haagse ambtelijke stukken heeft de term "Ergst Denkbare Overstroming" (EDO) zijn intrede gedaan, als na een studie blijkt dat
de grootste bedreiging voor het grootste deel van Nederland uit zee zal komen. Een tweede 1953 is, zeker met de almaar stijgende zeespiegel en
de dalende bodem, eerder een gegeven om mee te leven dan een ondenkbaar horror-scenario.
In de CapaciteitsPlanning Ergst Denkbare Overstroming geeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken aan welke gebieden het meest bedreigd worden
en welke maatregelen daar genomen kunnen worden. Het geheel doet erg denken aan de evacuatieplannen die de Bescherming Bevolking in de jaren
'50 ontwikkelenden om bij een atoomaanval hele steden leeg te maken .*
* zie: De Russen komen! Nederland in de Koude Oorlog - Mark Traa ISBN: 9789025366995
Er is op kleine schaal een EDO geoefend, wat de overheid tot grote tevredenheid stemde. Toch moet ernstig worden betwijfelt of de bevolking zich
wel net zo braaf zal laten redden als de vrijwillige oefenslachtoffers, wanneer in de echte EDO have, goed en dierbaren verdwijnen onder een
muur van ijskoud zeewater die zich totaan de horizon uitstrekt.
Als er dan grootschalige reddings- en evacuatie-operaties nodig zullen zijn, zal dezelfde burgerhulp en individuele heldenmoed nodig zijn als
in 1953, maar kan worden verwacht dat de professionele hulpverlening in de eerste kritieke uren net zo chaotisch en ongeorganiseerd zal zijn
als toen. 
Vreemd ?
50 jaar na dato concludeerde het Crisis OnderzoeksTeam van de Leidse universiteit dat ettelijke tientallen tot honderden slachtoffers gered
hadden kunnen worden als de diverse overheden en waterschappen daadkrachtiger hadden opgetreden, zelfs met de beperkte middelen die er waren.
De Zeeuwse koppigheid, tesamen met het gereformeerde berusten in de wil van God en het vetrouwen in de almachtige hand van kerk en staat, had
er aan bijgedragen dat er in de eerste uren na de dijkdoorbraken op veel plaatsen vooral afgewacht werd.
Kees Slager ontdekte bij de research voor zijn boek De Ramp, dat ook een pasgeboren baby tot de slachtoffers behoorde, die nog niet in de Bevolkingsregisters
was ingeschreven. Dit gegeven verwerkte Rik Launspach tot de roman '1953', die in 2009 werd verfilmd onder de titel De Storm.

Bronnen:
De ramp, Kees Slager, © 1992 De koperen tuin ISBN 90 72 138 25 2,
Het Parool © 24 januari 2003,
www.knmi.nl/VinkCMS/dossier_detail.jsp?id=202
www.pzc.nl/krant/pzc/water/watersnoodramp/ (niet meer actief)
De vergeten ramp, NCRV -tv 27 januari 2003
Het Vrije Volk, 1 t/m 6 februari 1953
De Uilenspiegel, 14 februari 1953
Ministerie
van Binnenlandse Zaken: CapaciteitsPlanning Ergst Denkbare Overstroming
|